elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: nodigen

nodigen , [uitnodigen] , neugen , Iemand verzoeken tot eene partij, maal of bijeenkomst. Het woord is eene samentrekking van noodigen, Hoogduitsch nöthigen. Te groeve neugen, tot de begrafenis en daarmede gepaard gaanden maaltijd verzoeken; die zulks doet heet groeveneuger, begrafenisnoodiger; zie aldaar. In Drenthe wordt de noodiger van bruiloftsgasten broed-neuger genoemd, zie Drentsche Volksalmanak, 1839, blz. 187. Van neugen komt neugekopje, dat is, als men zijn kopje reeds gestolpt of omgekeerd, met andere woorden, bedankt heeft, het op vriendelijk verzoek of aanhouden der gastvrouw nog eens weder opzetten. In Drenthe heet dit ‘neuge koppien.’ Overeenstemmend hiermede is het volgende, op dat gewest betrekking hebbende: als iemand bedankt voor eten of drinken en zich laat bepraten en nog wat neemt, heet dit een ‘neugebrokkien’ of een ‘neugekoppien.’ Vergelijk van Schaik, Drentsch Dorpsleven, II, 206, en mijn Overijselsch taaleigen.
Bron: Buser, T.H. (1856-1861), ‘Geldersch Taaleigen’, in: De Nederlandsche Taal 1856, 1: 13-17, 163-188; 1857, 2: 194-217; 1858, 3: 271-278; 1859, 4: 186-197; 1861, 6: 61-68.
nodigen , neugen , noodigen, vandaar broedsneugers, twee mannen, die met versierde petten rond gaan om de bruiloftsgasten te noodigen.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
nodigen , neugen , neugde , noodigen, uitnoodigen; ’t neugen annemen, zooveel als aan de leden der familie het overlijden bekend maken, en hen tevens uitnoodigen om den afgestorvene de laatste eer te bewijzen. Elk der buren betaalt dan gewoonlijk eene kleinigheid waardoor de neuger (een der buren) eenigszins schadeloos gesteld wordt voor zijne verdere werkzaamheden. Gron. nuigen = noodigen. Ook = aansporen om meer te eten of te drinken. neugde = nodigde
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
nodigen , nuigen , neugen , noodigen; ie mouten joe nijt nuigen loaten, of: pakt moar tou, ’t stait’r, nuigen dou wie nijt, zooveel als: ’t is u (den gast, of: den gasten) wel gegund, dat pressen om te eten is een veel te lastig werk, elk gebruike zooveel hem lust; ’t weer nuigt nijt veul = het weder is niet uitlokkend; ’t nuigt nijt veul boeten = daarbuiten is het regenachtig, koud, enz. Drentsch, Overijselsch, Geldersch neugen = verzoeken, noodigen, aansporen tot eten en drinken; Oostfriesch nögen = noodigen, sterk aanzetten, bij iemand aandringen om te werken, eten, enz.; Nederduitsch nögen, Saterlandsch neugje, nȫgje. Wangeroog nȫg. – In Holstein zegt men, bij het noodigen tot het tweede kopje: op één been kan men niet loopen (ook Groningsch); tot het derde: alle goede dingen bestaan uit drie; tot het vierde: drie is oneven, en ten laatste heet het: he wil krajet sin = hij wil nuigt wor’n.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
nodigen , nögen , Noodigen, aansporen tot eten of drinken (vooral nadat men reeds bedankt heeft). Laot u n(i)eet nögen, tast maor tô. Kom nu nòg ʼn nögekö̀pken, nögeglésken (laatste glaasje).
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
nodigen , neugen , zie nuigen *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
nodigen , nögen , Noodigen, aansporen tot eten of drinken (vooral nadat men reeds bedankt heeft). Laot u n(i)eet nögen, tast maor tô. Kom nu nòg ʼn nögekö̂pken, nö̀geglèsken (laatste glaasje).
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
nodigen , nöögen , zwak werkwoord , nodigen. Brulfte, grouve nöögen.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
nodigen , nueng , werkwoord, zwak , 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: nuege, 2e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: n , uitnodigen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
nodigen , nuddigge , uitnodigen We zien genuddigd We zijn uitgenodigd.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
nodigen , nuigen , uitnodigen
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
nodigen , neugen , uitnodigen, b.v.: loat oe nit neugen.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
nodigen , neung , neung, eneugd , uitnodigen; * loat oe niet neung: tast maar toe, pak zelf maar.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
nodigen , neugen , zwak werkwoord, overgankelijk , 1. verzoeken, uitnodigen De buurwieven wörden op kraomvesite eneugd (Hav), Hij kwam der morzo inlopen zunder dat hij neugd was (Erf) 2. aansporen om toe te tasten Laot je mor niet aal neugen, krieg mor ies an (Eke), Wij bint hier niet wend aal te neugen. Aj wat hebben wilt, moej mor wat pakken (Eex)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
nodigen , neudigen , nodigen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
nodigen , neugen , 1. nodigen; 2. aandringen (Kampereiland, Kamperveen). Laot oe niet neugen ‘tast toe!’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
nodigen , neugn , nodigen. Hie löt ’m graeg neugn, hie lus toch zo graeg ’n borrel.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
nodigen , nugen , neugen, neuden, neudigen, nodigen , werkwoord , uitnodigen, verzoeken; bijv. Laot je niet nugen wacht niet af tot je uitgenodigd wordt, doe het maar, tast maar toe
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
nodigen , neudigen , neugen , (werkwoord) , neudigen, eneudigd , nodigen. Zie ook: verzuken. Laot oe niet neugen ‘tast toe’.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
nodigen , neugen , neujen , (uit)nodigen; laot je niet neujen, tast toe.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
nodigen , nuëje , werkwoord , nuëtj, nuëtjdje, genuëdj , (uit)nodigen
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
nodigen , nuuëdige , zelfstandig naamwoord, onzijdig , nodige
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal