elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: nut

nut , nüt , (onzijdig) , nut.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
nut , nut , nuttig voor, in: hij (of: zij) is niks nut = hij is het niet waard, omdat hij het niet goed bewaart of gebruikt, en heeft vooral betrekking op kleederen, het nieuwe en mooie is er terstond bij hem (of: haar) af. Vgl. Evang. Gez. 80:6. Holsteinsch dat is nix nütt = dat deugt niet.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
nut , nut , vies.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
nut , nut , lelijk nut doên lelijk doen (kwaad zijn, opspelen). [Ove]
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
nut , nöt , nötter, nötste , vuil, vies; gemeen. Dat is nötte kal: dat is vuile taal. ’t Gout is nöt: het erf is niet aangeveegd. Dat is der nötste va gans Zittert, of: dat is der nötste dae ’t i gans Zittert geef: dat is de gemeenste van heel Sittard.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
nut , nótse , nut, baten, winst, opbrengst.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
nut , nut , slaecht (enne nutte meens); lâstig (en nut karwejke).
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
nut , nut , nutte , bijwoord , Ook nutte (Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. nut afwerpend (Zuidoost-Drenthe) Dat is hum net nut dat e daor met op de koffie kommen is net goed, is hem gegund (Pdh), Het döt hum net nut dat hum dat overkommen is (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe), ...dat trekt hum der weer boven op het is goed voor hem (Noo), Het is zunde dat e dat kreeg, het is hum niks nut (Sti), Die is niks nut, daor is gien zalf an te strieken hij deugt nergens voor (Sle) 2. in niks / niet nut wezen niet aan iem. besteed zijn Die bint gien goed goed nut, want die bint er toch niet zunig op (Bor), Hij is niks nut, hij mak alles kepot (Dwi), Hij is het niet nut daj hum helpt (Eex) *Wie zich niet wet te behelpen, is gien armoede nut (Flu)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
Nut , Nut , het , Maatschappij tot Nut van het Algemeen Hie wol mij die aovend lid maken van het plaotselijk Nut (de), De verening veur het Nut van het Algemeen (Eli)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
nut , nut , het , nut Het hef niks gien nut daj de ramen wast, morgen wordt het toch slecht weer (Bro), Ik zie het nut er niet van in (Bui), Je kunt hiel wat nut hebben van die jong (Dro), Alles hef zien nut (Exl), Dat kan mij nog wel ies van nut wezen (Gie), Daor döt het nog wat nut daar heeft het nog nut (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
nut , nut , nut
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
nut , nut , bijvoeglijk naamwoord , 1. nuttig, voordelig 2. in nut wezen waard zijn, er een goed, nuttig gebruik van weten te maken
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
nut , nut , zelfstandig naamwoord , et 1. nuttigheid, voordeel 2. Nut, de Maatschappij tot Nut van het Algemeen of plaatselijke afdeling daarvan
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
nut , nut , niks nut wezen, onnodig zijn.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
nut , nut , bijvoeglijk naamwoord , vies, onbeschoft (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
nut , [vies] , nöt , nötter, nötste , 1. vuil, vies 2. ordinair, gemeen 3. tuk op , ’t Duit nöt boete. ‘t Is nöt waer boete. Waat höbs se dich weer nöt gemaaktj.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
nut , nöt , bijvoeglijk naamwoord , nötte , 1. lelijk: van miërtse zón wuërs se nöt – van maartse zon word je lelijk (d.w.z. 'bruin', een uitdrukking uit de tijd dat een blanke huid mooi werd gevonden); nöt kieke – lelijk/kwaad kijken; dao zeen zat nöttere! – er zijn er genoeg die lelijker zijn! (kreet die geslaakt wordt bij het zien van een mooie vrouw) ook liëlik 2. agressief: dae hónjdj is anges nöt tiënge katte – die hond gedraagt zich heel agressief tegen katten; eine nötte(n) hónjdj – een lelijke/agressieve hond 3. dol, verzot op: hae is anges nöt op eine hest – hij is zo dol op gebakken spek 4. erg: juëk is nog nötter es pien – jeuk is nog erger dan pijn 5. vies: nötte kal – vieze praatjes 6. vervelend onaangenaam: nötte priej – nare vrouw 7. nöt doôn – a. tekeergaan tegen iemand b. stormen: het duit anges nöt boete – het gaat behoorlijk tekeer buiten, het is stormachtig weer ook boeze, spoeze, tempiëste, tornere 8. gevaarlijk: det is nöt gerei – dat is gevaarlijk spul 9. kwaad: nötte gezichte(r) – kwade gezichten; emes óm get nöt aankieke – iemand iets hoogst kwalijk nemen
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
nut , nöt , bijvoeglijk naamwoord , gevaarlijk, groezelig, lelijk, lui, onbetrouwbaar, onzedig, vies
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
nut , nöt , zelfstandig naamwoord, onzijdig , nut
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
nut , nut , lelijk
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal