elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: officier

officier , ofcier , officier. (Van geheel onbeschaafden hoort men nog: ofcijr.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
officier  , offeseer , officier.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
officier , offeseer , mannelijk , officier
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
officier , offeseier , mannelijk , offeseiere , officier.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
officier , officier , offesier, offesaier, offeseier, ofsier , de , Ook offesier (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe), offesaier en offeseier (Kop van Drenthe veroud.), ook uitgesproken als ofsier = officier Hij is offesier in het leger (Eex)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
officier , offeseer , zelfstandig naamwoord mannelijk , offeseere , - , officier , VB: 'r Ês mie es twêntig jaor offeseer bié de sjöttery gewès.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
officier , offeseer , zelfstandig naamwoord , offesere , offeseerke , officier
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
officier , offeseer , zelfstandig naamwoord, mannelijk , offeseêre , offeseerke , officier
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
officier , òffesier , zelfstandig naamwoord , officier; WBD III. 2. 3:269 'offecierke' = borrel
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal