elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ogen

ogen , oogen , (werkwoord), voor: lijken, er goed uitzien, een behagelijken vorm, een schoon uiterlijk hebben; dat ding, of: dei stof oogt nijt veul = het oog wordt er niet door aangetrokken, niet door bekoord; ook: hij (of: zij) oogt nijt veul = heeft weinig voorkomen of iets dat indruk maakt. Noord-Hollandsch oogen = aanzien hebben, er goed uitzien. (v. Dale: dat heeft geen oog = dat ziet er niet fraai uit.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
ogen  , uige , zien, kijken.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
ogen , uige , uichde, haet geuich , ogen, kijken.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
ogen , ogen , zwak werkwoord, onovergankelijk , ogen, lijken Aj der een mooi papiertie umme doet, dan oogt het wat meer (Noo), Het pèerd mut een mooi tuug an hebben, dat oogt better (Scho)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ogen , óógen , eruitzien. dè óógt toch nie, dat ziet er niet uit.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
ogen , ûige , werkwoord , ûigde, ge-ûig , kijken , (ingespannen kijken) ûige VB: Ûig dich 'ns of de önne sjoen réch op 'n ry sjtoën.; ogen (w.w.) ûige (mnl. 'ogen': staren naar, turen op) VB: Ûig dich 'ns of dy blömkes sjoen réch op 'n ry sjtoën
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
ogen , oewege , ogen, eruitzien
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
ogen , [nieuwsgierig kijken] , uige , uigtj, uigdje, ge-uigdj , 1. ogen, eruit zien 2. nieuwsgierig kijken 3. ingespannen kijken, zie ook ouge , Det uigtj neet: dat ziet er niet uit.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
ogen , [eruit zien] , ouge ,  ougtj, ougdje , eruit zien, zie ook uige , Die bóks is te ing, det uigtj neet.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
ogen , auge , werkwoord , augtj, augdje, geaugdj , ogen; det augtj neêt – dat ziet er niet uit zie ook uige
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
ogen , uige , werkwoord , uigtj, uigdje, geüigdj , ergens ingespannen, nieuwgierig naar kijken zie ook auge
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
ogen , ouge , uige , werkwoord , (eerste vorm) uitzien, (tweede vorm) kijken
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
ogen , ôoge , zwak werkwoord , ogen, uitzien, een indruk wekken; De Wijs – Ge mot oew oôge béter opmaoke, dè oôgt mir! (10-01-1970)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
ogen , ouge , ougde – geoug , ogen
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal