elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: onbruik

onbruik , onbroek , het , Var. als bij broeken = onbruik Der bint al veul aolde gewoonten in onbruuk raokt (Rol)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
onbruik , onbruke , (Zuidwest-Drenthe, zuid), in te onbruke maken zodanig maken, dat het onbruikbaar is geworden Hij hef mij de hiele boekholding te onbruke emaakt (Eli), z. ook onrecht
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
onbruik , oonbruúk , zelfstandig naamwoord , onbruik , oonbruúk VB: 't Plaante van 'nne mèiden ês ién Groéselt ién oonbruúk gerak.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
onbruik , ónbrk , ónbroek , onbruik; in ónbroek rake – in onbruik raken
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal