elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ondergoed

ondergoed , óngergout , onzijdig , ondergoed.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
ondergoed , undergoed , het , ondergoed Hij leup nog in het undergoed (Rui) *Trek de jas oet, aj goed undergoed an hebt (Ndo)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ondergoed , oondergood , zelfstandig naamwoord onzijdig , - , - , ondergoed
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
ondergoed , [ondergoed] , óngergood , (onzijdig) , ondergoed
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
ondergoed , óngergood , ondergoed ook lievenjdj, lieves zie ook versjuëning
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
ondergoed , óngergood , oongergood , zelfstandig naamwoord, onzijdig , tweede vorm Weerts (stadweerts); ondergoed
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
ondergoed , óndergaod , ondergoed
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal