elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: onrust

onrust , ónras , mannelijk, vrouwelijk , onrust; heen en weer gaand wieltje van uurwerk; onrustig kind.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
onrust , ónroe , mannelijk , onrust. De ónroe is ’m aan de prie: hij is onrustig.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
onrust , ónrást , ónröst.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
onrust , onrust , de , onrust Ik hebbe vandage zo’n onröst in de botten ik ben onrustig (po), Het is zo’n Jan onrust een onrustige persoon (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
onrust , onrus , onrust. Old van daegn en zat van onrus.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
onrust , oonrös , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , - , - , onrust
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
onrust , ónrös , ónröst , (vrouwelijk) , onrust , Det is de ónrös(t) zelf.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
onrust , ónrast , 1. onrustig gevoel 2. ongerustheid; in ónrast zitte – ongerust zijn
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal