elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: onrustig

onrustig , onrustig , bijvoeglijk naamwoord , Ook: ongerust. | Je benne onrustig op niks of.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
onrustig , onrustig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , onrustig Hij zat onrustig op de stoel te drèeien (Sle), Hij slap onröstig (Zdw), Mien man is al een heel tied weg, ik maok mij onrustig ongerust (And)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
onrustig , oonröstig , bijvoeglijk naamwoord , onrustig , zenuwachtig oonröstig
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
onrustig , [onrustig] , ónröstig , onrustig
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
onrustig , ónrestig , bijvoeglijk naamwoord , ónrestige , onrustig
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
onrustig , ónreûstig , ónröstig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); onrustig, zenuwachtig
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
onrustig , ónröstig , onrustig
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal