elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ontsteking

ontsteking , óntsjtaeking , vrouwelijk , óntsjtaekinge , ontsteking.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
ontsteking , ontsteking , ontsteken , de , ontstekings , Ook ontsteken (Zuidoost-Drenthe, Kop van Drenthe) = ontsteking Hij was vanmorgen bij de dokter, hij har een ontsteking an de vinger (Eli)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ontsteking , ontsteking , ontstekinge, ontsteken , zelfstandig naamwoord , de; ontsteking
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
ontsteking , ontstèking , (zelfstandig naamwoord) , ontsteking.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
ontsteking , óntstaeking , zelfstandig naamwoord , óntstaekinge , óntstaekingske , ontsteking
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
ontsteking , óntstaeking , ontsteking
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal