elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: onweersbui

onweersbui , onweersbuje , onweersbui.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
onweersbui , onweersbui , de , donderbui Wie hebt gister nog een beste onweersbuie had (Bov), z. ook het meer gebr. dunderbui
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
onweersbui , onweersbuuje , onweersbui.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
onweersbui , onweersbujje , zelfstandig naamwoord , en var. de 1. onweersbui, donderbui 2. rauwe persoon
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
onweersbui , omweersbûî , zelfstandig naamwoord , omweersbûîje , omweersbûîchie , [Nbl] donderbui Het Haringvliet verandert de koers van de onweersbuien: bij afgaand water komt de bui door de warmte van het water niet over het Haringvliet en drijft terug, bij opkomend water drijft de bui met het water mee en is dubbel zo zwaar
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
onweersbui , donderbujje , (zelfstandig naamwoord) , onweersbui.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
onweersbui , onweersbujje , (zelfstandig naamwoord) , onweersbui.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
onweersbui , ónwaersbies , zelfstandig naamwoord , ónwaersbieze , ónwaersbieske , onweersbui
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal