elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: onwennig

onwennig , onwennig , (bijvoeglijk naamwoord) , Niet gewend, vreemd. || Hij (een kind dat bij familie te logeren is) is nou nag wat onwennig, maar dat zel wel beteren. Ik ben nag ’en bietje onwennig in me nuwe huis. Die weuning is ok zo onwennig (men voelt er zich niet gauw thuis). – Evenzo in het Stad-Fri.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
onwennig , onwennig , niet gewend. Het peerd is nog onwennig.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
onwennig , ónwinnig , bijvoeglijk naamwoord , ónwinnige , onwennig
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal