elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: onwil

onwil , onwil , mannelijk , onwil. Taengen onwil is weenich te beginne: tegen onwil is weinig te doen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
onwil , ónwil , iets wat je tegenstaat, onmacht; es se in het spegel kieks, zuus se diene ónwil – als je in de spiegel kijkt, zie je pas echt hoe (onvoordelig) je eruitziet (en dat dat daar weinig aan te doen is); es se bie häör bènnekum(p)s, zuus se diene onwil – als je bij hen in huis komt, beginnen je handen te jeuken om alles op te ruimen
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal