elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: oogstappel

oogstappel , óstappel , m , óstappels , óstèppelke , appels die rijp waren in augustus.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
oogstappel , ouchsappel , mannelijk , ouchsėppel , ouchsėppelke , oogstappel, ook wel: “ouchsmansjen appel” genoemd (vroegrijpe appelsoort).
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
oogstappel , ókstappel , vroege appel , Ókstappel wôrre de urste appel die hónge te riipe. Oogstappels (yellow transparant) waren de eerste appels die hingen te rijpen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
oogstappel , wôôstappeltjes , oogstappeltjes , iemand die vruger n’n hof had, had ok wôôstappeltjes = iemand die vroeger een tuin had, had ook oogstappels-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
oogstappel , ógstèppelke , oogstappeltje
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
oogstappel , [vroegrijpe appel] , ougsappel , ougstappel , (mannelijk) , oogstappel, vroegrijpe appel
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
oogstappel , augstappel , zelfstandig naamwoord , augstappels/augstappele , augsteppelke , oogstappel
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
oogstappel , ougstappel , zelfstandig naamwoord, mannelijk , ougstappele , ougsteppelke , oogstappel
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal