elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: opbinden

opbinden , opbinnen , opbienen , (opbinden), van de schaatsen = ze onderbinden. Wordt ook wederkeerend gebruikt: hij bient hōm = hij bindt zōk de scheuvels op = hij bindt de schaatsen onder.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
opbinden , opbeenn , werkwoord , opbinden. Eenn de bokse opbeenn, iem. flink onderhanden nemen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
opbinden , obbénje , opbénje , bónj op, haet of is op gebónje/bónj op, haet of is opgebónje , opbinden. Dem höb ich ’n fien opgebónje: die heb ik wat moois wijsgemaakt.; opbénje opbinden; wijsmaken, op de mouw spelden, zie ook: obbénje. Eemes ’n opbénje: iemand wat op de mouw spelden.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
opbinden , ópbinge , een schoof binden.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
opbinden , opbinden , sterk werkwoord, overgankelijk , 1. opbinden Dat haor, dat moet ze opbinden, aans kunt ze het ooriezer niet opkriegen (Sle), De rozen opbinden (Pdh), (fig.) Ik heb hum goed de boks opbunden de waarheid gezegd (Dro) 2. in bundels, garven binden Wie moeten nog een stuk rogge opbinden (Klv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
opbinden , opbinge , werkwoord , bing op, bong op, opgebonge , opbinden (b.v. vlas of stro)
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
opbinden , nne get opbeende , werkwoord , wijsmaken , (iemand iets wijsmaken) 'nne get opbeende
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
opbinden , opbinje , werkwoord , binjtj op, bónj op, opgebónje , opbinden; emes get opbinje – iemand iets wijsmaken
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
opbinden , opbèène , sterk werkwoord , opbinden; Antw. OPBIJNEN - opbinden. Hout opbijnen, koren opbijnen; Bosch opbeinde - binden, vastbinden, vastmaken
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal