elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: opdiepen

opdiepen , opdijpen , (opdiepen); door bewijzen staven, wat, waar of wanneer iets heeft plaats gehad, bv. uit oude schrifturen; dokter Westerhoff het ʼt opdijpt dat het hooge koor in de Warfemer kerk in ʼt joar 1573 boud is deur Johan en Willem Moler.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
opdiepen , opdiepen , zwak werkwoord, overgankelijk , opdiepen Aole kwesties moej niet weer opdiepen (Sle), Ies kieken, a’k er nog ene opdiepen kan (Hol)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
opdiepen , diep , uitdrukking , ’t diep niks op Het heeft geen voordeel
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
opdiepen , opdepe , werkwoord , deeptj op, deepdje op, opgedeepdj , opdiepen
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal