elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: opgaan

opgaan , opëgaon , (opgaan), voor: opkomen, ontspruiten van zaden.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
opgaan , opgoan , werkwoord , 1 wortel schieten en opgroeien, 2 naar de kerk gaan, 3 omhooggaan. Dat geet niet op, dat is niet goed zo, kan zo niet
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
opgaan , opgaon , góng op, haet of is opgegange , opgaan; rijzen van deeg. Hae geit op wie ’ne wëggendeich: hij groeit als kool. De mëlk geit op: de melk gaat overkoken.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
opgaan , opgaon , sterk werkwoord, onovergankelijk , 1. opkomen De zun is net opgaon (Sle), Toe gunk mij een lochien op toen ging mij een licht op (Ruw), (zelfst.) Met het opgaon van de maone gaon we naor berre (Klv), Wat is het op het ogenblik, een opgaon of ofgaon van de maon? (Pdh) 2. opgaan in iets Hie giet hielmaol op in zien wark (Wes), Het huus gunk in vlammen op (Hol) 3. opraken De soep is hielmaol opgaon (Geb), Het is krek opgaon er is niets over (Row) 4. opgaan, oplopen Ik ben een endje mit hum opgaon (Klv), Ik bin in 1900 geboren, ik gung met het jaortal op (Sle) 5. naar de kerk gaan (Zuidwest-Drenthe, zuid) Der is vanmorgen veule volk op egaone (Hgv) 6. een richting inslaan Hie zal toch dizze kaant opgaon (Eex) 7. kloppen Die redenering giet niet op (Dwi) 8. de bedoeling hebben (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) Wele hef dat op egaone? wie heeft dat uitgedacht? (Hgv), z. ook opgang 9. groeien, omhoog schieten van planten (Zuidoost-Drents zandgebied) De rogge kan haost niet opgaon deur die dreugte (Pdh)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
opgaan , opgaon , werkwoord , 1. rijzen, stijgen 2. omhoog gaan 3. omhoog gaan en daardoor zichtbaar worden 4. verloren raken in een groter geheel en daardoor zijn herkenbaarheid verliezen 5. zich zodanig in iets verdiepen dat men voor iets anders nog nauwelijks belangstelling heeft 6. het toneel betreden 7. op iets gaan 8. op raken 9. zich samen met iemand begeven naar, samen oplopen 10. gaan branden, aanflitsen 11. juist zijn, acceptabel zijn
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
opgaan , opgoën , werkwoord , rijzen , (zie: 'gaan') VB: Loor dat de mèilk opgèit meh laot ze neet uüverkoëke.; meerijden opgoën (zie 'gaan') VB: Es te wêls, kêns te mêt mich opgoën.; slapen (slapen gaan); opgoën (zie 'gaan') VB: Ich gaon alvas op, bliéf diér uch nog mer get vertelle.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
opgaan , opgaôn , opgaon , werkwoord , geit op, ging op, opgegange , 1. opgaan in iets 2. omhooggaan 3. op examen gaan, afrijden 4. opgaon väör zien(e) nómmer – in militaire dienst gaan (een uitdrukking die dateert uit de tijd dat door een lotnummer werd bepaald wie in militaire dienst moest)
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
opgaan , opgaon , sterk werkwoord , "opgaan; as de zon opgao; zèn al die brôojkes opgegaon?; Van Delft - Aanduidende, dat een poging niet gelukken zal, zegt men: ""Dieën vlieger zal nie opgaon."" (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929); Antw. OPGAAN (met 'zijn') bij kegelaars, biljartspelers: het spel beginnen; soldaat worden, naar het leger gaan; verbruikt worden; opvliegen"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal