elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ophanden

ophanden , ophand , (klemtoon op: hand) = weldra, welhaast, voor niet langen tijd; wie kriegen ophand mooie doagen, (de lente nadert); ’t wordt ophand beter mit raizen, (wij krijgen hier welhaast betere reisgelegenheden); zien zeun is ophand kloar en zet zōk hier as dokter, (zijn zoon is met eenigen tijd arts en wil zich hier vestigen). Ook = binnen zeer korten tijd, met eenige minuten; wie mouten ophand noa hoes; wie mouten ophand eten; wie goan ophand noa ber (naar bed). Oostfriesch ophand = spoedig, wat op handen is. Vgl.: de winter is ophand, of: ophanden: het is ophanden = het zal weldra geschieden.
ophand zuiten = aanzoeten, er steeds zoeter op worden; dat zuit nijt ophand = dat moedigt niet aan, dat kan den lust (daarvoor) doen verliezen. Vgl.: ofzuiten.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
ophanden , op ’t haand , optand , aanstonds, langzamerhand
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
ophanden , ophanen , bijvoeglijk naamwoord , ophanden
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
ophanden , ophenj , bijvoeglijk naamwoord , ophenj zeenjdje , ophanden
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal