elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: opnaaisel

opnaaisel , opnèeisel , de , opnèeisels , Var. als bij nèeien = horizontale plooi in een kledingstuk, meestal een rok De rok was te lang en nou het ze er een opnaaisel in maokt (Eel), Een opnèeisel is bedoeld veur versiering of um een kliedingstuk körter te maken (Emm), Aj een boezeroen hebt en de mouwen bint te laank, dan kwaamp ter een opneisel in (Rui)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
opnaaisel , opni’jsel , zelfstandig naamwoord , et 1. opnaaisel, plooi, omslag dat in een kledingstuk vast is genaaid 2. versiering die op een jurk is genaaid
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
opnaaisel , opnaoiseltie , zelfstandig naamwoord , opnaoiselties , franje, ruches (aan japonnen die omstreeks 1900 gedragen werden) Ze droog een jurk met opnaoiselties Zij droeg een jurk met ruches
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
opnaaisel , opnejselke , zelfstandig naamwoord , opnejselkes , opnaaisel, vastgenaaide omslag in een mouw, waardoor deze korter wordt
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal