elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: oproer

oproer , opruier , mannelijk , opruiere , oproer.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
oproer , opreur , oproer, opruur, opruier , de , (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook oproer (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe), opruur (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord), opruier (Kop van Drenthe, Veenkoloniën) = oproer Het dörp was aordig in oproer (Ros), Deur honger en armoede kriej vaak opreur (Zwin), Der was opreur in het veen (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
oproer , oproer , oproer
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
oproer , oproer , opreur, opruur , zelfstandig naamwoord , et 1. oproer 2. uitschot, rapalje
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
oproer , opreur , zelfstandig naamwoord mannelijk , - , - , oproer , VB: De peliésie hèt 'n ênd gemak aon d'n opreur.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
oproer , opreur , zelfstandig naamwoord , opreure , opreurke , oproer
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal