elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: opruimen

opruimen , oprume , opruimen Ruum de toffel ’s netjes op! Ruim de tafel eens netjes af!
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
opruimen , oprumen , zwak werkwoord, overgankelijk , 1. opruimen Zo af en toe moej de kaasten ies oprumen (Wap), Wel rommel maken, mar niet oprumen (Eli) 2. afruimen Nao het eten moej de taofel oprumen, ...ofrumen (Sle) 3. verwijderen De wilde haover mot opruumd worden vernietigd worden (Gro) 4. ruimer maken (Zuidoost-Drenthe, Veenkoloniën, Zuidwest-Drenthe, zuid) Zo past het neit, ik mout dat gat ein beetje oprumen, ...oproemen (Erf)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
opruimen , oprumen , opruimen. Ook: rumen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
opruimen , óprûime , opruimen , Ge moet dé ziil 's ût de frut haole, want anders kun'det wél óprûime. Je moet dat dik touw eens uit de knoop halen, want anders kun je het wel opruimen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
opruimen , oprumen , oproemen , werkwoord , 1. ruim maken, ruimte doen ontstaan 2. wegruimen, opbergen 3. uit de weg ruimen, wegdoen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
opruimen , oprûime , werkwoord , rûimde op, opgerûimp , opruimen
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
opruimen , oprumen , (werkwoord) , opruimen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
opruimen , [in orde brengen] , ópruime , rùmt op, ópgerùmd , opruimen , Rùmt oewe rotsooj toch is óp. Ruim je rotzooi toch eens op.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
opruimen , oprumen , 1. slachten; 2. afmaken.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
opruimen , oprume , ruumtj op, ruumdje op, opgeruumdj , opruimen
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
opruimen , oprume , werkwoord , ruumtj op, ruumdje op, opgeruumdj , opruimen
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
opruimen , oprèùme , zwak werkwoord , oprèùme - römde op – opgerömd , opruimen; GD94 die han ze opgerömd; WBD (III. 2. 1:283( oprèùme = opruimen); ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij römt op
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
opruimen , opru~me , ruumde op – opgeruump , opruimen
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal