elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: optuigen

optuigen , optuge , optuigen ’t Pérd optuge Het paard optuigen; netjes aankleden Ik goj me ’s optuge Ik ga me eens netjes aankleden.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
optuigen , optugen , zwak werkwoord, overgankelijk , optuigen, opsieren, optutten Wij moet het peerd veur de tentoonstelling nog optugen (Bal), Ze hebt de kerstboom optuugd (Eri), Moej ies kieken hoe det merakel heur weer op etuugd hef (Ruw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
optuigen , optugen , werkwoord , 1. optuigen: versieren, opsieren, vooral van een paard 2. zich uitdossen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
optuigen , optugen , (werkwoord) , optuigen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
optuigen , optuge , werkwoord , tuugtj op, tuugdje op, opgetuugdj , optuigen
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
optuigen , optèùg , werkwoord , optuigen; WBD III. 1. 4:166 'optuigen' = uitdossen
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
optuigen , optu~ge , optuigen
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal