elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: opwerken

opwerken , opwarken , zwak werkwoord, onovergankelijk , 1. samen en gelijktijdig werken Aj geliek opwarkt, warkt het ok wat mooier (Bov) 2. (wederk.) zich omhoogwerken Bij die zaak kuj je nog wal opwarken (Sle) 3. afwerken (Veenkoloniën) Een schilderijlieste is soms mit holtsniewaark opwaarkt (Twe)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
opwerken , opwarken , werkwoord , 1. samenwerken 2. vooruitkomen 3. oprichten, vooruitbrengen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
opwerken , opwërke , werkwoord , wërkde op, opgewërk , opgebruiken , (van restjes) opwërk VB: Wërk dy sjtökskes vlèis mer op, doég ze mer ién d'n tèdevoo.; opbollen (van deeg) opwërke VB: Es te d'n dèig opwërks, giefs t'm de vuerm van e roond broed.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
opwerken , opwärken , (werkwoord) , opwerken. IJ ef zich öördig op-ewärkt.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
opwerken , opwirke , opwirke, zich , werkwoord , wirktj op, wirkdje op, opgewirkdj , carrière maken
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal