elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: opzien

opzien , opzien , (werkwoord) , met verwondering zien. , Wat heb ik daarvan opgezien. In dezen zin zegt men ook opkijken, zooals kijken hier veel voor zien gebezigd wordt. Het znw. gebruikt men hier voor verbaasdheid, verwondering, druk gesprek of verergernis. Bijv. Gij moest dat niet doen, want het verwekt groot opzien.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
opzien , opzeen , zouch op, haet opgezeen , opzien.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
opzien , opzien , opspraak
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
opzien , opzien , werkwoord , opkijken; verder in d’r tegenop zien opzien tegen iets
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
opzien , opzeên , opzeen , werkwoord , zuut op, zaag op, opgezeên/opgezeen , opzien
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal