elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: overdag

overdag , overdag , bij dag. – Ook: op een werkdag (niet op een zondag); overdag ken dat klijd nog wel goan moar veur söndoags wordt mie ’t te min.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
overdag , euverdaach , overdag.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
overdag , overdag , bijwoord , overdag Oelen ziej overdag niet vaok (Scho), ’s Aovend bie ’t pad en overdag mui, dat hej bie dei kwaojonges (Bov), Het is vlak overdag midden op de dag (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
overdag , uüverdäog , bijwoord , overdag
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
overdag , aoverdag , (bijwoord) , overdag. IJ wärkt aoverdag.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
overdag , [tijdens de dag] , óvverdag , overdag
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
overdag , uueverdaag , overdag
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
overdag , uëverdaâg , uëverdaag , overdag
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
overdag , oeëverdaâg , overdaâg , bijwoord , eerste vorm Weerts (stadweerts); tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; overdag
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
overdag , uvverdaag , overdag
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal