elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: overste

overste  , euverste , overste.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
overste , äövesjte , mannelijk, vrouwelijk , overste; bovenste.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
overste , overste , euverste , de, het , oversten, overstes , Ook euverste (Zuidwest-Drenthe, Kop van Drenthe, in bet. 1.) = 1. overste, rang in het leger As de overste der in kwaamp, was iederene wel rustig (Die), Ik mus der nog veur bij de euverste komen (Ruw) 2. leid(st)er van een klooster Zie is jorenlang overste west in Klazienaveen (Bov) 3. kledingstuk (Zuidoost-Drents zandgebied) Het overste kwam over de börstrok en daorover het buisien (Sle, veroud.)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
overste , uüverste , zelfstandig naamwoord mannelijk , uüverstes , - , overste , VB: 'nne Luitenant-kolonel wörd ién 't lëger oüch uüverste geneump.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
overste , uëverste , zelfstandig naamwoord , uëverstes , overste
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal