elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: paardenbloem

paardenbloem , peerebloum , (Goorecht) = hondebloum = paardenbloem, hondenbloem.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
paardenbloem , paardebloem , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Zekere plant met gele bloemen, Lat. Leontodon autumnalis (OUDEMANS, Flora 2, 238). – OUDEMANS geeft de naam van paardebloem aan een andere plant, die aan de Zaan varkensbloem of melkblad heet.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
paardenbloem , peerdebloume , vrouwelijk , zie: koubloume
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
paardenbloem , péêrdebloem , pérdsbloem , v , paardenbloem. Taraxacum officinale.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
paardenbloem , peerdebloeme , zelfstandig naamwoord meervoud , Paardebloemen (soms ook margrieten). Zegswijze zeuven peerdebloeme onder ien voet, den het de koe ’t weer goed, als er volop paardebloemen zijn, is er ook volop gras voor het vee.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
paardenbloem , paesjbloum , vrouwelijk , paesjbloume , paesjblömke , paardebloem, Taraxacum officinale. Van de holle stengels van deze bloemen werden kettingen gemaakt door ze in elkaar te steken: meisjesspelletje. Zie ook: pisbloum.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
paardenbloem , perdsbloom , Ned. paardebloem (hóndsbloom).
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
paardenbloem , perebloemen , paardebloemen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
paardenbloem , peerdebloem , de , (Zuid-Drenthe) = paardebloem, Taraxacum officinale ‘Van pièerdebloemen werden kransjes gevlochten voor op het hoofd; de steeltjes kon je rijgen en werden als blaaspijpje gebruikt bij het bellenblazen en het blad werd gegeten als geneesmiddel bij aandoeningen aan de urinewegen’ (Dwi)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
paardenbloem , peerdebloeme , paardebloem. Ook: ondebloeme (Kampereiland, Kamperveen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
paardenbloem , paerdeblom , zelfstandig naamwoord , paerdeblomme , paerdeblommechie , paardenbloem Een paerdeblom is de blom van een zuurdissel; ’t melksop uit de steel help teege de sproetels Een paardenbloem is de bloem van molsla; het melksap uit de stengel help tegen sproeten As in de winter de zuurdissels opkomme onder een molshôôp blijve de blaere geel; dat is de molsla die vroeger gezocht wier om in de stad as groente te verkôôpe Zie ook zaaikblom, zoidessel, zudessel, zudissel, zuurdessel, zuurdissel
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
paardenbloem , pêrdsblom , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , pêrdsblomme , - , paardenbloem , pêrdsblom
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
paardenbloem , peerdebloem , perdsbloem , paardenbloem
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
paardenbloem , peerdebloeme , (zelfstandig naamwoord) , paardenbloem.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
paardenbloem , pèèrdebloem , paardenbloem
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
paardenbloem , pèèrdeblom , paardenbloem
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
paardenbloem , perebloem  , paardenbloem (taraxacum officinale).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
paardenbloem , paersbloom , (vrouwelijk) , paardebloem
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
paardenbloem , paersbloom , zelfstandig naamwoord , paersblome , paersbleumke , paardenbloem (Taraxacum officinale) zie ook gaostem
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
paardenbloem , paersbloom , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , paersblome , paersbleumke , paardenbloem
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
paardenbloem , pèèrdeblom , pèrsblom , zelfstandig naamwoord , paardenbloem (taraxacum officinale); Piet Heerkens: PEERDEBLOM Simpelste van al de blomme; waor de bieë nie om zomme; niemand hee't er oot geprezen; oew eenvoudig, zeejig wezen...; Peerdeblom, oew kortgeknipte; platte kroon onopgeknapte; ongeonduleerde blaoikes; of oew zijig witte zaoikes; uitgebloeid toe parachuutjes; die op zofte wende zuutjes; over de Maaie-waaie zweeve; mee nuuw peerdeblommen-leeve...; Peerdeblom, zie ik oe staon; 'k zie oe aaltij efkes aon; simpelste van al de blomme; waor de bieën nie om zomme... [Uit: De mus; 1939]; pèrsblom; WBD III.4.3:285 pèrsblom - paardebloem (Taraxacum officinale) ook 'pisblom' genoemd of kankerblom; WBD III.4.3:394 pèrsblom (gele ganzebloem - Chrysanthemum segetum) ook genoemd: gaanzeblom
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal