elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: paarsig

paarsig , paarsig , bijvoeglijk naamwoord , paarsige , paarsachtig
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
paarsig , pèrseg , bijvoeglijk naamwoord , pèèrsigger , paarsig, paarsachtig; pèèrsigger; vergrotende trap van ‘pèèrs’ met achtervoegsel ‘-achtig’; van de nauwelijks bestaande stellende trap ‘paarsachtig’; iets paarsachtigers; Cees Robben – Ik haauw van pèèrs... Mar hedde nie iets iet-of-wet persiger..? (19640821)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal