elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: pakken

pakken , pakken , voor: beboeten; de kemiezen hebben hem pakt mit ʼn peerd, mit ʼn dijnstmaid, enz.; te pakken in: hij het hōm te pakken = hij is in kennelijken staat van dronkenschap; dat krigt hōm te pakken = dat zal hem beet krijgen, aantasten, bv. hij zal het door de koude, door den drank, enz. te kwaad krijgen; de koors het mie te pakken = de koorts heeft mij beet.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
pakken , pakjen , zie: koopmantjen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
pakken , pakng , werkwoord, zwak , opstapelen. Wat oarns too pakng, iets ergens oppakken, opstapelen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
pakken , pakke , werkwoord , Ook: plakken, aaneenkleven. | De snei pakt goed. Zegswijze lillek te pakken komme, het lelijk oplopen, een strop hebben.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
pakken , pakke , pakde, haet of is gepak , pakken. Dem hau ich te pakke gat: die had ik te pakken genomen. Zich biejein pakke: opstappen. Dat hau ’m erch gepak: dat had hem erg aangegrepen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
pakken , pakkẹs , “Dao höbste pakkẹs aan” wordt gezegd van een flink ontwikkelde vrouw.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
pakken , pakken , 1. nemen, aannemen. 2. bekeuring geven. 3. kussen, zoenen.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
pakken , pakken , sterk, zwak werkwoord, overgankelijk , pakken Wos mie even dei schoppe pakken (Ros), Ie meut joe nich verhongern laoten, pakt joe mar wat (Bco), Wij zult hum ies èven te pakken nemen beetnemen of slaag geven (Flu), Ze kunt je wel pakken zunder locht bekeuren omdat je geen licht hebt (Anl), Aj met kinder speult, zeg ij vaak: ik zal je wal is even pakken (Bui), Het wicht stief pakken stijf tegen je aandrukken (Sle), Ze hebben de deif te pakken (Een), Pak naor je, Klaos Jan, het is in de proementied (Row), ...het is in de brummeltied pak, wat je pakken kunt (Oos)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
pakken , pakken , pakken
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
pakken , pakken , werkwoord , 1. grijpen, beetpakken, vastpakken, oppakken 2. vasthouden en knuffelen 3. nemen en tot geslachtsgemeenschap dwingen, nemen en bevruchten 4. weten te treffen in financieel opzicht 5. weten te verdienen, verwerven: van inkomsten 6. stiekem wegnemen 7. vangen, grijpen 8. betrappen, proces-verbaal opmaken 9. nemen om te benutten: m.b.t. gereedschap; ook: om zich te verplaatsen, om te vervoeren 10. in iene argens op pakken iemand op een bep. punt beschuldigen, bestraffen, hem klem zetten 11. ordelijk bijeendoen in een koffer, tas, kist enz. of tot een pak maken 12. vullen met zaken die meegenomen moeten worden 13. in wat onder de aarm pakken 14. blijven plakken, aan elkaar blijven vastzitten, houden
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
pakken , pakke , werkwoord , pakde, gepak , pakken , Zw: Zich 'nne goën pakke: eentje gaan drinken Zw: Dat pak zich: gezegd van twee families, partijen of personen die het goed met elkaar kunnen vinden.; beklemme VB: D'n doed van dè goje bekênde hèt mich érg gepak.; nemen pakke; 't fors te pakke hebbe smoorverliefd (zijn); 't fors te pakke hebbe; goën pakke biertje (een biertje gaan drinken) zich 'nne goën pakke VB: Saoves vuur 't ëte gèit 'r zich altiéd 'nne pakke.; pak dich van m'nnen dueleper eruit pak dich van m'nnen dueleper
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
pakken , pakke , paktj, pakdje, gepaktj , pakken, nemen
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
pakken , pakke , pakke, zich , werkwoord , paktj, pakdje, gepakdj , klikken, een goede combinatie vormen: det paktj zich good – dat klikt goed zie ook zich hame
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
pakken , pakke , werkwoord , paktj, pakdje, gepaktj , nemen, pakken, ontroeren
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal