elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: pand

pand , pand , gedeelte in de wegen, wallen, vaarten en dammen welke door de marktgenooten moeten onderhouden worden. Het pand, dat bij de schouwing niet in orde wordt bevonden, heet een kwaod pand. Dr. Landr. (1712) IV, 1: quade Pandinge; art 7: quaat Pant in publique Heren Wegen, Stegen, Tol- en andere Dijken, Dammen en Reewegen. – ʼt gang bij panden van vief treegies ieder paand. Gron. pand = gedeelte van wegen, paden, dijken, kanalen en tochten, voorzoover die door enkele personen onderhouden moeten worden. Ook = gedeelte van een kanaal als het bv. gegraven wordt, en in panden verdeeld, vandaar (in geschrifte) kanaalpand. Oostfr. pand, Noordfr. pend, pand. Het Neders. heeft: diekpand.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
pand , pand , (onzijdig) , pande , onderpand, pand.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
pand , pand , vak, gedeelte van wegen, paden, dijken en kanalen, voor zoover die door enkele personen of vereenigingen onderhouden moeten worden. – Ook: gedeelte van een kanaal dat gegraven wordt. – Bovengenoemde personen noemt men pandplichtîg, en zijn dus de gezamenlijke pandplichtîgen; ook Drentsch. Bij kerkekondiging of in ʼt algemeen door middel van kundigsedels werd (of: wordt) hun aangezegd, tegen een bepaalden tijd hunne panden in schouwbaren staat te hebben; bleven zij in gebreke dan werden zij bebreukt (beboet). Ook schrijft men aan: “dat de pandpligtige togten in pompen in voldoenden staat moet worden gebracht.ˮ Drentsch, Oostfriesch pand, Noordfriesch pend, pand; Nedersaksisch diekpand. – Kinderen noemen eene bladzijde van een schrijfboek of van een in vieren gevouwen vel papier pand of pandje, en het voorschrift, het op papier geschreven of gedrukte voorbeeld veurpand. – Ook aldus eene bladzijde of gedeelte er van uit een boek, dat een lesje of opgave uitmaakt, pand of: pandje; dat pandje mout wie ofschrieven.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
pand , paond , pand
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
pand , paand , (ouderwets), de breedte die een ploeg aardappelrooiers gezamenlijk “voor” had
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
pand , panjt , onzijdig , panjer , pènjtje , pand. ė Sjwaak panjt: een erg teer kindje.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
pand , paand , pand , het , panden , Ook pand (Zuidoost-Drenthe) = 1. pand van de jas Hij stopte altied zien zakdoek achter in de paand van de jasse (Ruw), De rechter paand van je jas trekt wat zit niet goed (Eex), Paanden van de jas, dei wapperden hom nao (Zui), (fig.) Wil ie een paand op de zeum, ...op de jasse hebben? pak slaag (Dwi) 2. gebreide of genaaide delen van kledingstuk Ik heb al een paand van dat vest of pand van een breiwerk (Hol), Ik kan dat pand wal ofhechten, hij is lang genog (Gie) 3. deel, stuk, vooral van grond Bie dat hoes is een mooi paand grond bie (Ros), Dat stuk laand wordt in drei panden verhuurd (Row), Wij hebt dit jaor een flink paand bieten (Eli), Aj een pand eerappels krabd hebt, maj even vort strook (Eri), Ze hadden een breeid paand veur met erpelkrabben rooiden in een keer een hele strook (Gas), Wij hadden twie ledder erpel in een paandtien (Oos), Ik zal nog even een paand eerpels opsteken (And), As wai dat paand er of maaien, dan bin wai niet min (Rod), Perstörf koch ie per pand; 200 riegen op een pand (Klv), Een pand perstörf opstoeken (Bco), Wat is oes een paand oet de daok weid! deel van het rieten dak (N) 4. gebouw Hoe lange woon ie al in dat paand (Dwi) 5. gedeelte in de wegen, wallen, vaarten, dammen, die door markgenoten of inwoners onderhouden worden (wp, Zuidoost-Drents zandgebied) Dat paand is kwaodschouwd dat deel bleek bij de keuring niet in orde (Sle) 6. onderpand Wat mot hij doen um dit paand weer te kriegen? vraag bij het pandverbeuren (Hoh) 7. in pantjen roon een kinderspel (wm) 8. (verkl.) schoteltje (Zuidwest-Drenthe, noord) Vroeger drunken ze de koffie vaeke uut het paandtie, as het hiete was (Vle), Een schoteltie koffie wör ook wel ies een paandtie koffie enuumd (Wsv) 9. gedeelte tussen de baggerschotten, dat vol moest (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Noord-Drenthe) Het paand is vol en nou meuw der mar een nei paand bij anleggen (Pes), Een paand was het stok van het kip dat mit het uutjutten berekbaor was (Wsv), Het pand tussen de schotten is pand (Bov), ook het gedeelte bij het kanaalgraven, dat in één keer werd uitgegraven, meestal 5 m breed. ‘Een pand was een hoeveelheid werk dat in een dag of enkele dagen uitgevoerd werd. Werd het werk door een ploeg wijkgravers uitgevoerd, dan werd er een bedrag voor vastgesteld. Er werd wel eens een maatje of dubbele maat of een som bij bedongen of bij gedaan, als aanmoediging om het ook uit te voeren’ (Erica)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
pand , paand , (Gunninks woordenlijst van 1908) pand
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
pand , paand , pand , zelfstandig naamwoord , et 1. perceel, stuk land 2. strook in het veen met de afmetingen van de baggelbak 3. taak, vooral: flink zwaar, lichamelijk werk 4. huis, gebouw 5. elk der samenstellende delen van een kledingstuk, gewoonlijk het voor- of achterpand
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
pand , paand , zelfstandig naamwoord onzijdig , paander , - , pand , VB: Dè hèt zich dat paand sjoen opgeknap
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
pand , pandj , (onzijdig) , panje/panjer , pendje , 1. pand, huis 2. onderpand, borgstelling 3. gedeelte van kleding, gedeelte van breiwerk
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
pand , panjdj , zelfstandig naamwoord , panje , penjtje , pand
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
pand , pândj , pând , zelfstandig naamwoord, onzijdig , pând(j)e , pêndje , eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); pand
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
pand , paand , zelfstandig naamwoord , pand; Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PAND (in 't N. en W. 'paand' met Ned. a) zelfstandig naamwoord m. - pand
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal