elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: papkind

papkind , papkiend , o , papkiendje , papkind(je) (zwak kind of moederskindje.)
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
papkind , papkénjt , onzijdig , papkénjer , papkinjtje , papkind.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
papkind , papkiendje , verwend kind
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
papkind , papkiendje , zwak kindje, papkindje. Ook als scheldwoord gebruikt.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
papkind , papkienjtje , zelfstandig naamwoord , papkienjtjes , moederskindje
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal