elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: pels

pels , pels , Een kind wordt gezegd naar de pels nuemd te wezen als het den toenaam zijner moeder mede tot doopnaam heeft gekregen. Van ouds beteekende het: bekleeding, dikke, zachte bedekking, ook = vrouwenonderrok. Als de vrouw de baas in huis was werd van den man gezegd onder de pels te zitten.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
pels , pels , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , 1) De gezamenlijke rokken die een vrouw aanheeft (de Wormer). || Me pels is helegaar nat ’reegend. Die zellen ook ’en smerige pels thuis brengen. Kijk me pels ers vuil wezen (waarop de spreekster haar rokken toont). – Zegsw. Het gaat op het rommelen van de pels of, op goed geluk, op de bonnefooi; gezegd als men iets doet, zonder nauwkeurig te passen en te meten. – Pels voor vrouwenrokken hoort men ook elders in N.-Holl. (Hs. Kool) en in Friesl. (DIJKSTRA, Uit Friesl. Volksleven 321; ROOSJEN, Merkwaardigheden v. Hindeloopen 92). In N.-Holl. kent men pels in de zin van vrouwenonderrok en is zich noemen naar de pels de naam van zijn moeder voeren (DE JAGER’s, Archief 1, 340). – Vgl. ook de bij de 17de-eeuwse Hollanders, b.v. bij HOOFT, Warenar 730, voorkomende uitdr. Onder de pels moeten, onder de pantoffel raken, eigenlijk de vrouwenrokken moeten aantrekken, terwijl de vrouwde broek aanheeft”. De “broek” is de mansbroek (zoals men weet droegen vrouwen eertijds zulk een kledingstuk niet), die hier de macht in huis vertegenwoordigt. – Over pels in de zin van vrouwenrok zie men thans ook STOETT in Taal en Letteren 7, 192. – De vrouwen (op het Schermer-eiland) droegen pelskens, om de middel met een randt van roodt koleur; … in de voor-schoot was ’t met ’en lap Roodt-schaarlaken of ander Kraproodt beset, SOETEBOOM, S. Arc. 501. 2) Aan molens. Het onderste deel van de rieten bekleding der bovenkruiers, dat over het onderachtkant steekt.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
pels , pels , zelfstandig naamwoord de , Ook: 1. Onderrok (verouderd). 2. Het aantal rokken dat een vrouw droeg. Zegswijze ’t gaat op ’t rommelen van de pels of, het gaat op goed geluk af. – Prate op ’t rommelen van de pels of, in het wilde weg praten, zo maar wat zeggen of beweren.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
pels , pëls , vrouwelijk , pëlse , pëlske , pels; balg van een dier.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
pels , pels , pelse , de , pelsen , Ook pelse (Zuidwest-Drenthe) = 1. pels De buunzing har een mooie pels (Gro), Die hond hef een dikke pels. Daorum liekt e ok zo dik (Oos) 2. dikke laag Dat stuk zit wal een dikke pels gras op (Scho), Wij hebt het gres mèeid, mor der zat een dikke pels op (Sle), Wij hebt van het winter nogal een hele pelse snei ehad (Rui), De Stappersten, die hebt een dikke pelse rokken an, mar dat haarden ze hier vrogger ook wel (Ruw), ‘Van ouds bekleding, dikke weke bedekking. Vrouwenonderrok. Zich noemen naar den pels de naam zijner moeder voeren. Oudtijds werd de man gezegd onder den pels te zitten, als de vrouw de baas was’ (wp) 3. plens, grote hoeveelheid water (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) Het was een pelse water, ie kunt an het laand niks doon (Pes)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
pels , pels , onderrok.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
pels , pelse , pels.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
pels , pels , pelze , zelfstandig naamwoord , de 1. dichtbehaarde huid van bep. dieren 2. voor kleding te bewerken of bewerkte dierenhuid met haren erop 3. pelsjas of soortgelijke sjaal 4. opvallend dikke laag rokken die een vrouw draagt 5. dikke laag die groeit of gegroeid is, met name van gras
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
pels , peels , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , peelse , peelske , pels , VB: De peelse zién lang oét de mode gewès en noé zuús te ze weer uüveraal.; bont (pels) peels VB: De kräog van de jas wäor mêt peels aofgezat.; vacht VB: De peels van 'nne vos ês sjoen doonkerbroén.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
pels , pèls , onderrok
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
pels , pels , bijvoeglijk naamwoord , pelske , bont ook bónjtj
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
pels , pêls , zelfstandig naamwoord, mannelijk , pêlze , pêlske , bont, pels
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal