elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: pool

pool , pool , (bijvoeglijk naamwoord) = loos, slim, berekenend. Misschien eene verkorting van: politiek.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
pool , pool , pole , (Oldampt), voor: pet, eigenlijk: pet met ruigen rand en zonder klep; Oostfriesch Pôl = mansmuts. Deze dracht zou hier door de kozakken in zwang zijn gekomen en zooveel zijn als Poolsche muts.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
pool , pool , poole , (ouderwets), wintermuts
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
pool , poôl , zelfstandig naamwoord , Ook: dikke winterjas (verouderd).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
pool , pool , pole, poolmus , de , polen , (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook pole (Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën), poolmus (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = wintermuts De kinder op het ies hadden almaol een poolmus op (Sle), Mit dit weer kuj best een pole ophebben (Ros), Een pool is een mus van bont (Row), ook Ik heb de kinder een pole braaid (Eco)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
Pool , pool , zelfstandig naamwoord , de 1. iemand met de Poolse nationaliteit 2. Pools konijnenras 3. paard van een bep. ingevoerd ras
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
pool , pool , zelfstandig naamwoord , de 1. noord- of zuidpool 2. poolstreek 3. positieve of negatieve pool
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
pool , poel , zelfstandig naamwoord , de; voetbalpool
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
pool , pool , zelfstandig naamwoord , pole , peulke , 1. pool 2. poel, plas ook maas; de pool uëver gaôn – de zee oversteken
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
pool , poel , zelfstandig naamwoord , "prijs; mogelijk van Engels 'pool', de geldelijke inleg bij het voorspellen van sportuitslagen; Van Delft - - Wij gaon vliegers maar ook duiven ""oplaoten"" en laten dan los ""twee duiven en drie horens"", waarmede wij ""prijs verdienen en ook den scherreweg"", terwijl een ander ""geen veerke thuis had"" en er zoodoende weinig om gaf, wie met ""de poel"" ging strijken.(Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal