elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: prügel

prugel , prugel , zelfstandig naamwoord , de, et; klein kereltje, jongen die nog niet zo groot is, vaak: bijdehante jongen die veel wil maar nog niet kan
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
prügel , preugel , slaag ook kladze, slaeg, zwens (Duits: Prügel)
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
Prügel , preugel , pruuëgel , zelfstandig naamwoord, mannelijk , eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); slaag, pak
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal