elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: puimsteen

puimsteen  , pumstein , puimsteen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
puimsteen , pûmstiin , puimsteen , És ge vruuger smérrege hand hôd, dan kriig’de ne pûmstiin um ze zûiver te schuure. Als je vroeger smerige handen had dan kreeg je een puimsteen om ze zuiver te schuren.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
puimsteen , puümsjtèin , zelfstandig naamwoord mannelijk , - , - , puimsteen , VB: puümsjtèin word vëul gebruk vuur hoüt te sjore of te peliéste.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
puimsteen , poemstein , (mannelijk) , puimsteen, aluin
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
puimsteen , pumpsteîn , pumpstein , puimsteen ook puimsteîn; puimsteîn zie pumpsteîn
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
puimsteen , pömstêen , zelfstandig naamwoord , puimsteen
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal