elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: schoester

schoester , schoester , "schoenmaker; weinig hier meer in gebruik."
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
schoester , schouster , schoenmaker; vroeger meer in gebruik dan thans. ’t Hoogduitsche Schuster.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
schoester , sjoester , schoenlapper.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
schoester , skoestr , skoestrt , zelfstandig naamwoord, mannelijk , schoenmaker
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
schoester , schoester , m , schoenmaker Jan de schoester Jan de schoenmaker. [Oef]
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
schoester , skoenster , zelfstandig naamwoord de , Schoenlapper (verouderd). Vgl. Duits Schuster.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
schoester , schoester , schoonmaker; broajbóks.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
schoester , sjoester , schoenmaker.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
schoester , schoester , de , (Zuidoost-Drents veengebied) = schoenmaker De schoester maakt mit zien priem altied gatties in de leren zoule (Nsch), z. ook schoemaker
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
schoester , skoesterd , zie skoemaker
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
schoester , sjoester , zelfstandig naamwoord mannelijk , sjoesters , sjuusterke , schoenlapper , (du. 'Schuster') VB: 'nne sjoester löp altiéd mêt kepotte sjoon.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
schoester , schoester , zelfstandig naamwoord , schoenmaker (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
schoester , sjoester , zelfstandig naamwoord , sjoesters , sjuusterke , schoenmaker; sjoestersvrouwlje en smeedspaerd laupe altied bérves – de vrouw van de schoenmaker en het paard van de hoefsmid lopen altijd barrevoets (Duits: Schuster) ook sjoemaeker
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
schoester , schoester , schoesters , schoenlapper
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal