elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: schoffelen

schoffelen , [met een schoffel werken, schuifelen] , schoefelen , schoffelen, wegsluipen.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
schoffelen , schōffêln , het onkruid met den padschōffel (zie aldaar) losmaken om te verdrogen en dan bijeengeharkt te worden, of ook: om den grond los te maken en zoo de vruchtbaarheid te bevorderen; de eerappels stoan in riegen, zij kennen schōffeld wor’n. (Dit doet men ook al staat er geen onkruid.) – (v. Dale: schoffelen = losstooten, met de schoffel het onkruid uithalen.) Ook: stooten van twee biljartballen die elkander aanraken, in de richting der lijn die de middelpunten dier ballen verbindt. – ’t Woord is een frequentatief van: schuiven.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
schoffelen , schoffelen , (skòffǝlǝ) , (zwak werkwoord, transitief) , Zie de wdbb. – Ook: schuivende voortbewegen, b.v. van knikkers, die men, met de rug van de vinger over de grond schuivende, in het kuiltje schiet. || Je moete de knikkers ien voor ien in de kloet schoffelen. Ik heb ’er al drie in ’eschoffeld. – Zie verder DE JAGER, Freq. 1, 579 vlgg., en vgl. FRANCK op schoffel.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
schoffelen , schroffelen , (skròffələ) , (zwak werkwoord, intransitief) , Schrabben, schoffelen, in verschillende opvattingen. || In het zand schroffelen (met enig werktuig heen en weer schuiven). Met de voeten schroffelen (over de grond heen en weer gaan). De tuinman is an ’t schroffelen (schoffelen, met de schoffel het gras afsteken en onkruid uit de paden wieden). – Het woord komt ook elders in Holl. voor (zie DE JAGER, Freq. 1, 608) en is verwant met schrobben. – Vgl. schroffel en opschroffelen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
schoffelen  , schoeffele , schoffelen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
schoffelen , skoofln , werkwoord, zwak , leem omwerken
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
schoffelen , schoefele , schoffelen.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
schoffelen , op blok schovveln , (ouderwets), met schoffel de bieten op polletjes laten staan
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
schoffelen , skoffele , werkwoord , Ook: 1. Schuivend voortbewegen. 2. Onbesuisd voetballen en tegenstanders onderuit schoppen of glijden. 3. Gulzig eten, haastig naar binnen werken. Het woord schoffelen is verwant met schuifelen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
schoffelen , sjóffele , werkwoord , sjóffelde, haet of is gesjóffelt , schoffelen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
schoffelen , sjoeffele , onkruid bestrijden met de schoffel.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
schoffelen , schòffeln , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , schoffelen Je moet de tuun nog schoffeln (Bal), Wat een roet, door is gien schoffeln an (Bco)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
schoffelen , schóffeln , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. (langzaam) lopen En wel kwam der doe nog inschoffeln? Willem! (Sle), Zie is een klein, kregel wiefien ...en schoffelt hiel het darp deur (rr), Daor komp hij ok weer anschoffeln (Geb), Hij schoffelt er langs (Man) 2. duwen, schuifelen, wringen (Zuidoost-Drents zandgebied) Hie schóffelt net zo lang tot e veuran zit (Sle), z. ook schoefeln
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
schoffelen , skoffelen , 1. schoffelen; 2. een knikkerspel; 3. schudden van een kaartspel
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
schoffelen , schoeffelt , schoffelt , Héij schoeffelt óp z'n gemak dur de bónne, terwélle schoeffel'tie 't ónkrûid wèg. Hij schuifelt op zijn dooie gemak door de bonen, onderwijl schoffelt hij het onkruid weg.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
schoffelen , schoffelen , sjoffelen , werkwoord , schoffelen: schuifelend lopen, voetje voor voetje lopen, ook wel strompelen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
schoffelen , schoffelen , werkwoord , schoffelen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
schoffelen , sjôffele , werkwoord , sjôffelde, gesjôffeld , schoffelen , VB: 'n Oor heb ich ién dy broëd zon gesjôffeld en noé been ich poém.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
schoffelen , geschoefeld , geschoffeld
Bron: Peels-Mollen, J. met werkgroep Weerderheem in Valkenswaard (Ed.) (2007), M’n Moederstaol. Zôô gezeed, zôô geschreeve. Almere/Enschede: Van de Berg.
schoffelen , schoefele , ongemanierd, vlug eten. in de uitdrukking “alles nèèg nor binne schoefele”, “alles vlug opeten”.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
schoffelen , schoefele , schoffelen
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
schoffelen , schoefele , skoefele , werkwoord , schoffelen (Land van Cuijk); skoefele; schoffelen (Den Bosch en Meierij; Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
schoffelen , sjóffele , sjóffeltj, sjóffeldje, gesjóffeldj , schoffelen , De kroeate mótte nog gesjóffeldj waere.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
schoffelen , sjoeffele , werkwoord , sjoeffeltj, sjoeffeldje, gesjoeffeldj , schoffelen ook sjóffele
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
schoffelen , sjóffele , werkwoord , sjóffeltj, sjóffeldje, gesjóffeldj , schoffelen ook sjoeffele
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
schoffelen , schoefele , werkwoord , lopen, onelegant, schoffelen
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
schoffelen , schoefele , zwak werkwoord , schoffelen; WBD I:1458 (Hasselt) schoefele - onkruid bestrijden met de schoffel; WBD III.1.2:154 'schoefelen' = sloffen
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal