elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: schoor

schoor , schoor , houten brugje, eene niet kostbare brug over eene rivier enz.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
schoor , schoor , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Zie de wdbb. – Aan een molen noemt men schoren de twee aan twee van onder naar elkaar toe lopende schuine balken van de staart. Zij worden onderscheiden als korte en lange schoren; de beide eerste verbinden de staartbalk met de achterbalk, de laatste met de middelbalk. Zie Groot Volk. MooIenb. I, pl. 10. || Die uytleggers vande kap, daer de twee lange schoren vande steert aen komen, sullen swaer syn negen duym vierkant, sullen leggen daer de vierde spruyt van achteren komt, Hs. bestek watermolen (a° 1634), archief v. Assendelft. – Ook de opstaande verbindingsplanken van de kraan bij een molen heten schoren.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
schoor , schaor , stut.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
schoor , schuaare , vrouwelijk , schoor, sloot
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
schoor , skoare , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , skoarn , skùerkn , steunbalk. Gin been te skoare kùnn zetn, geen stap kunnen doen; de skoarn dr in zetn, hard weglopen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
schoor , skar , zelfstandig naamwoord de , in de zegswijze ’n skar make, hooi, of strobalen in de lengte en breedterichting op de wagen laden, zodat er een steun ontstaat. Mogelijk is het woord ‘skar’ hier verwant met schoren = steunen, stutten.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
schoor , sjoor , mannelijk , sjoore , schoor, schoorpaal, zie ook: sjtraef.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
schoor , sjaor , witte nachtvlinder, gebruikt als aas bij het vissen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
schoor , sjaor , vrouwelijk , sjaore , oogst, opbrengst; bovenlaag van stoffen, draadrichting van weefsel. ’n Gou sjaor terf: een goede opbrengst tarwe. Doe mós mit de sjaor mitbeusjtele: je moet in de draadrichting van het weefsel borstelen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
schoor , sjoore , meervoud , planken die diagonaal tegen de steigerpalen kunnen worden geslagen, ter versteviging van het geraamte.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
schoor , schoren , steunbalken (zn.).
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
schoor , schoor , schore, schaore , de , schoren , (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid in bet. 2.). Ook schore (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën), schaore (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe) = 1. schuine verbindingsbalk, steunbalk, stut Een schore an een hekkepaol, ...steiger (Dwi), Jachtbaanden en stielbaanden bint schaoren (Dwi), Ie kunt wel een schore tegen die schiefgezakte mure zetten (Ruw), En schoor zit in de kap van de schuur (Row), As iets rechtop mut blieven staon, dan houwe wij der een schore an (Flu) 2. (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents zandgebied), in zuk schoor zetten schrap Ik mus mij flink schoor zetten bij het ummetrekken van die boom (Flu), ...bij het touwtrekken (Oos)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
schoor , schore , schoor, schoere , zelfstandig naamwoord , de 1. schoor, steunbalk, ook wel: ijzeren stang 2. overstekend deel van een dreegplaete 3. onweersbui, donderwolk 4. moeilijke, zware tocht (op de fiets) tegen de wind in
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
schoor , schoor , bijvoeglijk naamwoord , schrap, schoor, in te schoor of te schore
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
schoor , sjaor , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , sjaore , - , oogst , (van het te velde staande gewas) sjaor (vero.) (mnl. 'schare': oogst van het te velde staande graan) VB: De kêns mer eng sjaor vröchte kriége meh twie sjaore gräos.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
schoor , schoor , schaore , schaorpaol, schaorposte, schaorpos , sch , schoor(paal), een schuin paaltje ter ondersteuning van een (hoek)paal).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
schoor , sjaor , (vrouwelijk) , 1. draadrichting van weefsel, vleug 2. eerste oogst, opbrengst 3. schuin geplaatste stutbalk tussen twee loodrecht op elkaar staande balken , De bane van de floere gerdiene mós se in dezelfdje sjaor nejje.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
schoor , [berm ] , sjoear , (onzijdig) , sjoeare , sjuuerke , schoor, steile berm bij holle weg , Terkoel haet ein hoeag sjoear woea se dich vanaaf kóns laote litse.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
schoor , het sjoor , de berm van de weg
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
schoor , sjaor , zelfstandig naamwoord , sjaore , sjäörke , laag; ein flinke sjaor graâs – een flinke laag gras
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
schoor , sjoeër , zelfstandig naamwoord , sjoeëre , sjuèrke , schuinte bij dijk of slootkant
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
Schoor , Schoor , eigennaam , Schoor
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
schoor , schôor , zelfstandig naamwoord , schorke , "half-open zolder; N. Daamen - Handschrift 1916 – ""schoor - zoldering, gewoonlijk boven den koestal""; Van Delft - ""In 't schop op 't schoor leej de schup en de reif"" wil zeggen: In het schuurtje (of in een bijgebouwtje) op de zoldering ligt een schop en een hark. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929); Pierre van Beek – Als we het zinnetje ""In 't schop op 't schoor leej de schuup en de reif"" bij de kop nemen, slaan we vier vliegen in één klap om dan nog niet eens van de allitererende ""sch"" te praten. Het ""schop"" is een klein schuurtje of bijgebouwtje, ""'t schoor"" wordt gevormd door het zoldertje in zo'n schuurtje, de ""schuup"" is de schop (om mee te spitten) en ""reif"" dient door ""hark"" vertaald te worden. (Tilburgse taalplastiek 12 Nieuwe Tilburgse Courant – dinsdag 25 april 1950); (vB) leuningloze brug over een beek; Cees Robben – ’t Schöpke meej ’t schôôr... (19601104); Cees Robben – Gooit die schoen op ’t schôôrke (19640306); Henk van Rijen - leeter ginne pulling op et schoor? - ligt er geen peluw op de vliering?; De goei fiets zaat in onderdélen verstopt onder de maastappels op et schoorke.Hij gunde de Dötsers gin fiets, waor ie zelf veur krom ha moeten liggen. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006); WBD stijlarm: schuine, ondersteunende verbinding tussen gebintstijl en ankerbalk (zonder naglijder!); De kènder slaopen ópt schôor. WBD steekband onder het kapgebint (zonder naglijder!); WBD schôor - zolder in stal of schuur, ook genoemd: 'schèlft', 'hooizòlder' of 'balke'; WBD schorbôom - schelfhout; WBD schorvènster - schelfdeur; WBD schórgat - hooiluik (op de hooizolder); A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - ; zelfstandig naamwoord vr. + o. - 'schoor' - rijbruggetje over een smalle waterloop. Pierre van Beek - Er bestaan veldnamen als: Eerste schoor, Tweede schoor. C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - SCHOOR o - bergplaats voor het hooi boven de stal, ver weg en moeilijk bereikbaar. K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - SCHOOR: een soort van klein bruggetie, over smalle waterlopen liggende, om over te kunnen rijden. SCHOOR - hooijzolder boven een schuur of stal, schilft. Dus zegt men voor 'schilfthouten' ook 'schoorhouten'. Kiliaen - : schoorsolderken; schorke - verkleinwoord; zoldertje in een schuurtje (schòp); Dim. van SCHÔOR"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal