elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: schoot

schoot , schoot , elders schok, zoodje. Een schoot appelen enz. is zoo veel als een – kan bevatten.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
schoot , schoot , schoet , voorschoot, boezelaar, Gron. schoet, schoede. Oostfr. Jeverl. schude, HD. Schurz, Schürze. Volgens ten Doornkaat door klankverschuiving van het Grieksche skûtos = huid, vel, inzonderheid de afgetrokken en reeds bereide huid, en dat het aannemelijk is dat het evenals schört, Nederl. schort (boezelaar) ook de beteekenis van: huid, vel, leder, gehad heeft. Voorts te vergelijken met het Goth. skauda, in: skauda-raip = schoenriemen of eigenlijk sandalenriemen, dat oorspronkelijk een vel, een leeren voorwerp beteekende.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
schoot , schoot , (mannelijk) , schoot.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
schoot , schouke , (onzijdig) voor: teeldeel, of: teeldeelen van een dier. Eigenlijk: schaaike (Friesch). Vgl. oetschoien.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
schoot , schoet , schoede, schuut , (Niezijl, enz.) = voorschoot, boezelaar; zij het gijn schoet veur ’t lief en gijn hemd om ’t gad; zij het wat onder ’t schoet = zij moet bevallen; dik onder ’t schoet wezen = zichtbaar zwanger zijn. schoedegoud = grove wollen stof waarvan meiden, werkvrouwen, enz. hare boezelaars maken; schoetband, schoedeband = de band van een voorschoot; ook: breede band van wol voor schorten, bij v. Dale: schorteband. “In de Oosterstraat zal worden verkocht: manufacturen, waaronder ook schoedegoed.” (1868). Id. “Eene groote partij manufacturen, o.a. vijfschaft, rokstreep, schoedegoed,” enz. Spreekwoord: ’n Vrou ken meer mit ’n schoet tou ’t hoes oetdroagen as ’n man d’r mit ’n woagen inment, of: – as zeuven peerden trekken kennen (eene vrouw kan meer met een schort het huis uitdragen dan een man er met den wagen inrijdt, of: – dan zeven paarden kunnen trekken) = een spilzieke vrouw verteert de grootste verdiensten. (Met eene geringe wijziging ook Oostfriesch, Oldenburgsch, Marsb., Noordfriesch.) Oostfriesch schude, Noordfriesch sküd = doek, laken; Wangeroog schûd = linnen of wollen doek, waarin kleine kinderen gewikkeld worden; Eiderstadt, Ditmarssum skeit, Drentsch schoot, schoet. – ten Doornk. zegt: dit hier en in Jeverland algemeen gebruikelijk woord schijnt anders overal te ontbreken, en komt, door klankverschuiving, overeen met het Grieksch skûtos = huid, vel, inzonderheid: bereide dierenvellen, zooals ook schört, Nederlandsch schort, oorspronkelijk de beteekenis had van: huid, vel, leder. Vgl. ook het Gothisch skauda, in: skauda-raip = schoenriem, eigenlijk sandaalriem, dus eene voetbekleeding van leder. Zie aldaar art.: schude.
(= moederschoot). Spreekwoord: Klaine kinder trappen joe in de schoot, groote kinder trappen joe op ’t hart. Bij Harreb.: Jong de moeders op den schoot trappen en oud op het hart, en: Kleine kinderen hoofdpijn, groote kinderen hartpijn. – Och, d’ouders teelen ’t kint en maecken ’t groot met smart, Het kleine treet op ’t kleet, de groote treên op’t hart (Vondel). – Ook Strelitz en Lipsland.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
schoot , schoot , schot , gooi, smeet, worp, bv. zoover men met een’ bal of steentje kan werpen; ’n schoot in de buutse hebben, fig.: een voordeel op iemand behaald hebben, hem vooruit of voorbij gestreefd zijn, dat deze weer moet inhalen. Zie: buus.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
schoot , schoot , van een baiske (buisje, soort van vrouwenrok), die bij een jak behoort en daarmee het opperkleed uitmaakt.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
schoot , schoot , soort van tarwebroodje, klein, puntig stoetje. Zulke schooten worden op het platteland voor ’t Kerstfeest en Nieuwjaar gebakken.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
schoot , schoot , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Meerv. schoten. Zie de wdbb. en vgl. VOORSCHOOT op voorschot, VOORSCHOOT op sloof en schotig. – Ook: a) Bij zeilemakers. De uiterste hoek van het zeil, de punt die het verst van de mast af is. || Het zeil is te hoog in de schoot. – b) Bij molemakers. De zeeg of bocht die in de hekkens en zomen der roeden wordt aangebracht om de windvang der wieken te vergroten. || De schoot in de hekkens. Men sal maken goede stercke taeye grenen roeden ... geboort met een bequame schoot, dat den timmerman daer eer en prijs van hebben mach, Hs. bestek watermolen (a° 1634), archief v. Assendelft. Evenzo elders in Holl.; zie b.v. KROOK, Molenb. 99.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
schoot , schoot , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Meerv. schoten. Bij de bakkerij. Eertijds de eenheid voor het broodgewicht, een gewicht van ½ pond of 2½ hg. || De deuvekaeters sullen gebacken moeten werden op de ordre van Amsterdam ... met uytdruckinge van de ponden op elk van dien ende schootbrooden heele ende halve op de oude gewigte, op de boete van 42 st. Dog bijaldien tot Amsterdam geen setting van de deuvekaeters werd gedaen, sullen de backers deselve moeten bakken bij de schooten en daarop zetten hoeveel schooten swaar die sijn, Hs. keur (a° 1701), archief v. Wormerveer. Dat ook alle duyvekaeters sullen moeten soo swaer sijn als de schoot wittebroot, hetsij van één, 2, 3 of meerder schooten, na dat de duyvekatcrs groot sullen wesen, Hs. keur (a° 1727), archief v. Krommenie. – Hoewel tegenwoordig een schoot niet meer als gewichtseenheid geldt, spreekt men toch bij deuvekaters nog van twee-schoots, drie-schoots, vier-schoots enz. deuvekaters, waarbij dan het gewicht door het aantal krakelingetjes daarop wordt aangegeven. – Verder spreekt men nog van: een schoot f1ippies, in de bakkerij 4 kadetjes, doch in de handel op 5 stuks gerekend. Bij de vroegere zetting werd een schoot nl. altijd voor een dubbeltje verkocht en kostte een flippie 4 duiten (2½ ct.); toen later de prijzen verminderden, bleef de oude naam in gebruik. – Een schootje grof (of een schootje grove bollen) bestaat uit 8 ronde boltjes aan elkaar (2 x 4) en heette eertijds ook achteling; zie aldaar. – Een schootje stroopbrood heeft deze zelfde vorm. Men bakt verscheidene schootjes aan elkaar, die dan met de hand van elkaar worden afgebroken. – Een schootje wittebrood, of bij verkorting gewoonlijk een schootje, is een bepaald soort van week brood, dat uit acht aan elkaar gebakken laagjes (die ook boltjes heten) bestaat en geen harde korst heeft; het is los en kan zonder mes in 8 stukken verdeeld worden. || Haal effen ’en schootje van de bakker. Ik hou veul van schootjes. Vgl. schootjesbrood. – Ook elders in N.-Holl. en in Friesl. zijn schootjes wittebroden uit acht laagjes bestaande. Blijkens de uitspraak te Andijk heeft het woord een zachtlange o (Navorscher 21, 533). Schoot behoort bij het ww. schieten (het brood in de oven schieten).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
schoot , schoot , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , vgl. rietschoot en schot II.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
schoot , schoet* , zou komen van het Grieksch uit te spreken σκύτος, evenals schort van het Latijnsche scortum; ’t woord is dus oorspronkelijk “schoot”, vergel. voorschoot en schootsvel; zie ook: koegel .
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
schoot , schot , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , In de naam van stukken land; vooral in samenst.en wisselende met schoot. De bet. blijkt niet met zekerheid. Wellicht hebben wij te denken aan stukken land, waardoor een sloot geschoten werd; vgl. de doorschoten Ley op Lei II, en het Schot, zeker water onder Schardarn en Grosthuizen (Kaart v. d. Uytw. Sl. 7). In het Oost-Fri. en Ndd. is schot echter ook de uit de sloot gegraven natte aarde, die op de kant van het land geworpen wordt (KOOLMAN 3, 138 b); zie schotwal. || tSchodt (land te Wormer, Hs. (a° 1626), archief v. Wormer; in de 18de e.: het Schotje. – Noch die schotten (in de ban v. Westzaanden), Polderl. Westz. III f° 67 v° (a° 1644). – De schoote (te Krommenie, op de Vlus), Polderl. Kromm. (a° 1680), f° 1. – Schote laen (onder Westzaanden), Polderl. Westz. II (a° 1629); die schotte laen, ald. III f° 92 r° (a° 1644). – Die suyder schotte streep, noch die noorder daer by, noch die schotte streep besyden die ven (op de Koog), Polderl. Westz. III f° 21 v° (a° 1644); die schotsche streep, ald. IV f° 35 (a° 1649); de schotstrepen, ald. V f° 37 (a° 1775)) – Halve schoote ven over den Indijck (te Krommenie, in het Noordend), Polderl. Kromm. (a° 1665), f° 44; t’schoote ventje, ald. (a° 1680), f° 25. – Vgl. verder Schotakker.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
schoot  , schoeët , schuëtje , schoot, deel van een kledingstuk.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
schoot , skoat , zelfstandig naamwoord, mannelijk , skùetr , skùetjen , scherf. An skùetr goojn, in diggelen gooien
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
schoot , skoot , zelfstandig naamwoord, mannelijk , schoot
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
schoot , schoet , schort
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
schoot , skoôt , zelfstandig naamwoord de , 1. Deel van een vrouwenrok. 2. Dik touw waarmee het zeil van de ‘veldersskuit’, de schuit van de tuinder, met een halve steek werd vastgezet.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
schoot , skoôtje , zelfstandig naamwoord ’t , Een schoot wittebrood, eertijds de eenheid van het broodgewicht, namelijk ½ pond of 2½ hg. Het schootje was een wittebrood bestaande uit tien aan elkaar gebakken laagjes die men gemakkelijk van elkaar kon trekken. Het woord schoot is een afleiding van schieten, hier: brood dat in de oven werd geschoten. Zegswijze ’n oudbakken skoôtje, 1. figuurlijk voor een oud, verschrompeld vrouwtje. 2. figuurlijk voor een temerig, flauw persoon.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
schoot , sjoot , mannelijk , sjeut , sjeutje , schoot.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
Schoot , Schoot , De Schoot, gebied tusse de waeg Veldöstrik en Venröjsewaeg, ter huügte vánne Gortmeule.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
schoot , schoet , schoete, schoede , de , schoeten , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook schoete (Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën), schoede (Veenkoloniën) = schort Je moet een schoet veurdooun bij het ofwassen (Bal), IJ hadden zakken schoeten bij het zwienenvoren, bandenschoeten met banden um de middel, zelenschoeten met zelen over de scholder, pootschoeten bij het erpel poten en mouwschoeten in het koren (Sle), Ain pootmesien was vrouger ain wief mit een schoede veur het lief (Vtm), (fig.) Den hef ok weer wat achter het schoet is in verwachting (Pdh), ook Zie leup met boeskool under de schoet (Hijk), z. ook schölk
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
schoot , schoot , de , schoten , 1. ankersleutel, ijzer van een muuranker aan de buitenkant De schoot kan versierd en onversierd weden (Dwi), De schoot mut stief tegen de mure (Pes) 2. deel van het slot, dat bij sluiting naar buiten springt In ale deursloten zit een schoot (Eke)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
schoot , schoot , schote , de , schoten , Ook schote (Zuidwest-Drenthe, noord, sa, in bet. 2.) = 1. schoot Die jong wil niet meer op schoot zitten (Bal), As ze op schoot zitten, zitten ze boven op de bovenbienen en veur de buuk (Geb), Gooit mij de appels maor in de schoot, zee mien opoe holte in het kleed van een vrouw (Eli) 2. onder de gordel hangend deel van vrouwenkleding Een schoot was een kroesde raand an een buis (Row), Vrogger hadden de vrouwlu lange schoten an het jak (Rui), Wat har die een lange schoot an dat buisien (Sle) 3. soort schort (Zuidwest-Drenthe, noord, Zuidoost-Drents veengebied, Kop van Drenthe) Mien moeke haar bie het wark altied een schoot veur (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
schoot , skoot , schoot
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
schoot , schoot , zelfstandig naamwoord , de 1. schoot 2. deel van kleding op de plaats van schoot in bet. 1 3. extra stukje aan bep. vrouwenkleding, afhangend vanuit het middel 4. halve lage schort van een smid 5. ankerhoofd
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
schoot , schôôt , zelfstandig naamwoord , schôôte , schôôtjie , schoot
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
schoot , sjoet , zelfstandig naamwoord mannelijk , - , sjuutsje , schoot , VB: Ze haw 't kraank keend al de gaanse noon op hëure sjoet zitte. Zw: Dat vêlt 'm zoemer ién z'nne sjoet: hij krijgt het zomaar, zonder moeite. Zw: Ién Abrams sjoet zitte: zich kennelijk op zijn gemak voelen. Zw: Mêt de sjoet: met scheppen. VB: 't Géld kömp dao mêt de sjoet ién
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
schoot , schwôôt , schoot
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
schoot , skoot , (zelfstandig naamwoord) , schoot.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
schoot , sjoeat , (mannelijk) ,  sjuuetje , schoot , Kóm mer bie mich op ’t sjuuetje zitte.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
schoot , sjoeët , zelfstandig naamwoord , sjuëtje , 1. schoot 2. onder het middel afhangend deel van een kledingstuk, vaak een schort 3. de holte die ontstaat als de onderkant van een schort wordt opgenomen om er iets in te deponeren, of de inhoud daarvan: eine sjoeët appele
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
schoot , schoeët , zelfstandig naamwoord, mannelijk , schuuëtje , schoot
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
schoot , schot , zelfstandig naamwoord , schötje , schoot; Kóm mar óp mene schot. WBD III.1.1:135 'schoot' = schoot; ook: 'slip' of 'n kooike'; WBD III.4.4:279 'schootvol' = hoeveelheid die men in een schort kan dragen ook: 'schortvol', 'slip'; schötje - dim. WBD 'schötje' (II:1235) - schootje (onderste deel van een voorpand) - resp. dim. van 'schòt', met umlauten van 'scheut', met vocaalkrimping
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal