elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: schors

schors , schòrse , schòse , (vrouwelijk) , eikebast.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
schors , skors , zelfstandig naamwoord de , in de zegswijze op skors gaan, uit bedelen of schooien gaan, op route gaan. Mogelijk is het woord verwant met schorten = ontbreken, in de zin van: het ontbrekende bijeen bedelen of -schooien.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
schors , schors , de , schorsen , schors De peerde hebt de schors, ...schel van de bomen ofvreten (Oos), As de boom dood is, valt de schors er of (Wsv), z. ook schel
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
schors , schors , bast , Ôn de schors kun'de d'n bóóm kènne, die zén'der van wit nô zwart, van rèùw nô glad. Aan de bast kun je de boom kennen, die zijn er van wit tot zwart, van ruw tot glad.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
schors , schosse , zelfstandig naamwoord , de; schors: van een boom
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
schors , schos , zelfstandig naamwoord , schosse , schossie , 1. ijsschots ’t IJs is an schosse Het ijs is aan schotsen getrapt 2. schors De schos is van d’n bôôm De boom is zijn schors kwijt 3. grote hoeveelheid D’r staod een schos vuilt Er staat een grote hoeveelheid onkruid
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
schors , sjors , zelfstandig naamwoord , sjorse , sjorsjke , schors
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal