elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: schorseneer

schorseneer , schorseneel , Scherseneel.
Bron: J.A.V.H. (18e eeuw), Haagsch Nederduitsch woorden-boekje. Den Haag: Johannes Mensert. Uitgegeven in: Kloeke, G.G. (1938), ‘Haagsche Volkstaal uit de Achttiende eeuw’, in: Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde 57, 15-56.
schorseneer , schorsenijlen , Weil. schorsonneer, v. Dale schorseneel, schorseneer, Fransch scorsonère, West-Vlaamsch schusseneele.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
schorseneer , sjorsjeneil , vrouwelijk , sjorsjeneile , schorseneer.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
schorseneer , sjorsjeneier , mannelijk , sjorsjeneiere , sjorsjeneierke , schorseneer; sjorseneil is ouder.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
schorseneer , sjorseneer , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , sjorseneere/sjorseneele , - , schorseneer , sjorseneer VB: Nao 't ëte van sjorseneere dèis te niks es foétse laote.; schorseneer sjorseneel
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
schorseneer , sjorseneer , zelfstandig naamwoord , sjorsenere , sjorseneerke , schorseneer
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal