elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: schrapen

schrapen , schrapen , (zwak werkwoord) , Zie de wdbb. – Tong schrapen, praten, inz. praten dat niets geeft, nutteloze praat. || Och, dat is maar tong schrapen (b.v. als iemand monsters te zien vraagt en ten slotte toch niets koopt) – Vgl. bij BREDERO, Rodd’rick 394: "Ick haalt (t.w. wat ik heb) en betaalt soo wel as de beste vande stadt. Wat Duyvel gaanse dan met my haar tong schrapen?" – Zie de afl. velschraper.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
schrapen , skrape , werkwoord , 1. Schrapen. 2. De grond los schrapen, wieden. 3. Krabben. | Zit toch niet zô op je reg te skrapen. 4. Verzamelen uit hebzucht. Zegswijze hai staat te skrapen as ’n (vurige) knol, 1. hij is zeer ongeduldig, wil graag beginnen. 2. hij is zeer trouwlustig of zeer wellustig.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
schrapen , schraopen , schrapen, schraepen , zwak werkwoord, overgankelijk , Ook schrapen (Zuidwest-Drenthe, zuid), schraepen (Zuidwest-Drenthe, noord) = inhalig en hebzuchtig zijn, schrapen Zij hebt veule bij mekaar eschraapt (Hgv), Hij schraopt alles naor zuk toe (Sle), (zelfst.) Zie moet het met schraopen bij mekaor kriegen (Bal), z. ook graopen
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
schrapen , skrapen , schrapen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
schrapen , schraopen , schraepen, schrapen , werkwoord , zie ook schrabben, schrappen ww. 1. schrapen, schrappen 2. hard werken en z’n uiterste best doen om de eindjes aan elkaar te knopen, ook in negatieve zin 3. zich flink inspannen: om geld, of om verder te komen 4. vastzittend slijm door een bep. keelbeweging los proberen te krijgen 5. (te) veel eten of drinken
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
schrapen , schraape , ondiep ploegen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
schrapen , skrapen , skraopen , (werkwoord) , skrapen, eskraapt; skraopen, , schrapen. Spreekw.: Jan skraap mi’j de wottel en anders vrèèt ik em zo! (een gezegde n.a.v. iets wat gezegd wordt, zonder veel betekenis). Zie ook: skraopen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
schrapen , sjrabbe , werkwoord , sjraptj, sjrabdje, gesjrabdj , 1. schrapen 2. de haren van een geslacht varken – nadat het met kokend water is overgoten – verwijderen met een trechtervorming krabber waarvan de rand scherp is
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
schrapen , schrabbe , werkwoord , schrapen
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
schrapen , schraope , schriepe , zwak werkwoord , schrapen, afkrabben; Cees Robben - den oopaa heeget bij mekaar geschròpt; B schraope - schròpte - geschròpt - ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij schròpt; Assie ötgebloeid waar, de vette kuus, pakte de slachter zenne schraper en begos ie de haor van et vèèrke te schraope. Hij schrapte daor, waor onze vadder al vurgewèèkt ha, deur telkens un gedilte van dè vèèrkenslèèf meej dè kokend waoter te begieten. As ie hillemol schôon geschrapt waar, wier ie meej zen twee aachterpôote aon de bovenste sport van de leer vaastgebonden en in zen gehéél op de leer geleed. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006); WNT SCHRAPEN - 5) door strijken (inzonderheid met een scherp voorwerp) bijeenbrengen. Inzonderheid in toepassing op het bij kleine beetjes en gewoonlijk uit hebzucht bijeenbrengen van bezit; schrapen, inhalig zijn; Cees Robben – te schrokke.. te schraope.. te schriepe (19590822); Henk van Rijen - schrapen, inhalig zijn; WNT SCHRAPEN - 5) door strijken (inz. met een scherp voorwerp) bijeenbrengen... inz. in toepassing op het bij kleine beetjes en gewoonlijk uit hebzucht bijeenbrengen van bezit; schròpt(e) - schraapt(e); tegenwoordige tijd/verleden tijd van 'schraope' met vocaalkrimping
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal