elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: schrik

schrik , [ontsteltenis] , schrik , (mannelijk) , schrik.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
schrik , schrik , in de beteekenis van: leelijk, ellendig, afschuwelijk, wat sterken afkeer verwekt; ’t is ’n schrik! van personen gezegd; ook van iets dat doet ijzen; ’t is ’n schrik om te zijn, zooveel als: het is verschrikkelijk om te zien, het zien er van jaagt ons een schrik op het lijf. – schrik is ’t mijste (of: mijnste), zegt men, wanneer men bv. iets heeft laten vallen, of een ander ongelukje heeft gehouden dat nogal goed is afgeloopen; ook = ik ben er met den schrik afgekomen. – Als uitdaging, bv.: schrik van scheuveln! = ik daag u allen uit om tegen mij te rijden, en ook: ik heb getoond de hardste rijder te zijn, ik ben u allen de baas. Ook wanneer het dingen geldt waarop men stoft, bv.: schrik van neuten! sirltoppen! enz. (zie: kroak). Sara Burgerh. bl. 341: “Schrik van Meisjes, Heren!” – oet schrik en alteroatsie, tautologie = voor den schrik, maar niet ernstig opgevat; alteratie = ontsteltenis, schrik, ontroering.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
schrik , schrik , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Zie de wdbb. – Ook: sprong, plotselinge verplaatsing. Zie schrikken. || Wat heb de barometer vannacht ’en schrik ’edaan (als hij een heel eind voor- of achteruit is gegaan).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
schrik , schrik , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Anker van een houtvlot, dat men laat zakken om de vaart te minderen of om het vlot te doen stilliggen. Zie schrikken. || Wy tussen Aken en Rietsmick (?) leggende, quam tvlot van Walwitsberg, doordat de schrikken niet vatten wilden, van agteren op onsen riem, welcken stucken brak, Hs. (a° 1727), Zaanl. Oudhk.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
schrik , skrik , zelfstandig naamwoord, mannelijk , schrik
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
schrik , sjrik , mannelijk , schrik.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
schrik , schrik , schrek , de , Ook schrek (Zuidwest-Drents veengebied) = 1. schrik, angst Zij hadden de schrik goed te pakken (Pdh), Ik zag hum bij de deure staon. Nou, toen kree’k de schrik van mien lèven (Hgv), Hij is nog niet van de schrik bekomen (Dwi), Veur de marsjesees hadden ze meer schrek as veur de veldwachter (Bco), Ze kwamen mit de schrik vrij (Bro) 2. persoon die angst verspreidt Dat kereltien was de schrik van de buurt (Bor)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
schrik , skrik , schrik
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
schrik , sjrik , zelfstandig naamwoord mannelijk , - , - , schrik , VB: Dao krèg ich de sjrik van me lëve. VB: Dao kömp de sjrik van 't duerp.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
schrik , skrik , (zelfstandig naamwoord) , schrik.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
schrik , schrik , skrik , zelfstandig naamwoord , angst (Eindhoven en Kempenland); skrik; angst (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
schrik , sjrik , schrik, angst; sjrik höbbe – bang zijn (Frans: avoir peur) ook floep zie ook strank
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal