elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: schroef

schroef , schrûve , (vrouwelijk) , schroef.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
schroef  , schroef , schroef. Alde schroef, oud wijf.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
schroef , skroewe , zelfstandig naamwoord , skroewn , skruufken , schroef; skroewn dreejn, op stang jagen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
schroef , sjroef , vrouwelijk , sjroeve , sjruufke , schroef. Die haet ’n sjroef los: zij is getikt. ’n Au sjroef: een oud wijf. ’n Gėkke sjroef: een gek wijf.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
schroef , schroeve , schrufie , schroef.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
schroef , schroeve , schroef , de , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Veenkoloniën). Ook schroef (Zuidwest-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = 1. schroef Die moere past niet bij disse schroeve (Hgv), Ie kunt er beter een schroef indrèeien, dat is beter as spiekern (Bei), (fig.) Dei man, door is ok een schroeve an los is niet erg snugger (Bov) 2. scheepsschroef De schipper moet een neie schroeve achter het schip hebben (Klv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
schroef , skrôêve , schroef
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
schroef , schroeve , schruufien , schroef.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
schroef , schroeve , zelfstandig naamwoord , de 1. houtschroef of metalen schroef; uut de schroeven uit z’n gewone doen, uitgelaten 2. dop die voor de as van het wagenwiel was geschroefd 3. hetz. als passchroeve 4. schroef aan een boot, schip
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
schroef , sjroûf , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , sjroûve , sjrûifke , schroef , VB: De sjroûf ês duel, noé zit ich 'm sjoen.; 'n sjroûf los hebbe gek (gek zijn) 'n sjroûf los hebbe; 'n sjroûf los hebbe wijs (wijs zijn) 'n sjroûf los hebbe; 'n gekke sjroûf vrouw (dwaze vrouw); 'n gekke sjroûf
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
schroef , schróéf , schruufke , schroef
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
schroef , skroeve , (zelfstandig naamwoord) , skruvien , schroef.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
schroef , schroewf , schroef
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
schroef , sjroef , (vrouwelijk) , sjroeve , sjruufke , schroef , Ein sjroef los höbbe.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
schroef , sjroef , zelfstandig naamwoord , sjroeve , sjruufke , schroef; spulle mèt sjroeve höbbe – goed gereedschap hebben
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
schroef , schroef , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , schroêve , schruufke , schroef
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
schroef , schroe~f , schroe~ve , schruufke , schroef
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal