elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: spijs

spijs , spijs , Onder de mingegoede standen gebruikt men hier veel, om de mindere kostbaarheid vooral, in stede van boter op brood en mik, eene soort van pap van appe
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
spijs , spiize , vrouwelijk , spijs
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
spijs , sjpies , vrouwelijk , spijs, moes van vruchten; mortel. Hae is de sjpies neit waert: hij is het niet waard, dat je iets voor hem doet.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
spijs , spiês , Ned. specie.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
spijs , speesj , vruchtenmoes dat op de vla gesmeerd wordt; metselspecie gemaakt van kalk en zand; speesj maake, metselspecie bereiden.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
spijs , spijs , de , 1. spijs Een botterletter met spijs viene wij lekker (Bro) 2. specie (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) Opper, spijs is op, wij moet nog specie maken (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
spijs , spijs , spies , de , Ook spies = spijs, eten Verandering van spies döt eten (Pei)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
spijs , spîêze , (Gunninks woordenlijst van 1908) spijs
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
spijs , spieze , spijs.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
spijs , spijs , zelfstandig naamwoord , de; banket- of amandelspijs
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
spijs , sjpys , zelfstandig naamwoord mannelijk , - , - , vlaaivulling , VB: De zjwerte proûmesjpys ês vëul te sjtiéf, doég nog mer get wäoter debié.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
spijs , spieze , (zelfstandig naamwoord) , spijs.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
spijs , spies , (onzijdig) , metselspecie
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
spijs , spies , (onzijdig) , spijs voor vlaai, moes van vruchten , Vreuger brachte de minse de spies vuuer de flaaj nao de bekker.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
spijs , spies , 1. beleg voor een vlaai ook kuijes 2. metselspecie, mortel (Duits: Speise)
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
spijs , spies , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , metselspecie, vlaaibeleg
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
spijs , spie~s , specie
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal