elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: spinnen

spinnen , spinnen , spinden , (= spinnen); oet spinnen gaon, zooveel als: ’s winters voor acht of veertien dagen, van een spinnewiel voorzien, uit logeren gaan, een gebruik onder de boerendochters. Zie: spienster.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
spinnen , spinnen , (sterk werkwoord) , spinnen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
spinnen , spinnen , spun, espunnen; ik spinne, dů speenst, hei speent, wi, i, zei spint , spinnen. Hen spinnen gaon: op spinvisite gaan (overblijfsel van vroegere spinmäöle)
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
spinnen , spinn , werkwoord, sterk , 1e persoon enkelvoud verleden tijd: spun, verleden deelwoord: espunn , spinnen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
spinnen , sjpénne , werkwoord , sjpón, haet of is gesjpónne , spinnen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
spinnen , spinne , fi-jnj spinne, fijn spinnen; gróf spinne, grof spinnen.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
spinnen , spinnen , 1. spinnen. 2. ook gebruikt als uitdrukking voor een week vakantie van de dienstmeiden bij de boeren, die gebruikt werd om te spinnen in het ouderlijk huis of elders.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
spinnen , spinnen , spun, espunnen , 1. een weekje wintervakantie voor de dienstmeid; 2. spinnen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
spinnen , spinnen , sterk werkwoord, (on)overgankelijk , 1. spinnen Dat gaoren heb ik zulf spunnen (Eri), In januari en februari gungen vroeger de wichter oet spinnen (Oos), (fig.) Daor kuj wal ziede bij spinnen voordeel van hebben (Sle), Met heur is het goud gaoren spinnen met haar kun je goed uit de voeten (Erf) 2. uit logeren of spinnen gaan (veroud.) Vrogger gongen de vrouwlu uut spinnen (Dwi), As wichter oet spinnen gungen, kwamen der ok snorders (Nor) 3. slenteren (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) Ze loopt bij de straot te spinnen (Zey) 4. spinnen, van een kat Heur kat zit te spinnen bij de kachel; die hef het naor ’t zin (Eex)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
spinnen , spinnen , spint, spun, spunnen, espunnen , 1. spinnen; 2. met spinneweke gaon, logeren (Kampereiland, Kamperveen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
spinnen , spinn , spinnen.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
spinnen , sjpênne , werkwoord , sjpon, gesjponne , spinnen , VB: Gäon sjpênne.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
spinnen , spinnen , 1. op visite gaan (afgeleid van het gebruik om de tijd van de visite nuttig te besteden, namelijk door te spinnen); 2. logeren.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
spinnen , [klemmen ] , spinne , spintj, spindje, gespindj , zich spinne, klemmen van een deur , De duuer spintj zich, duuj ins good.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
spinnen , spinne , werkwoord , spinjtj, spón, gespónne , 1. spinnen 2. het gebruik op 17 september (de feestdag van Sint Lambertus) vroeg op de dag een kaars aan te steken en ’s avonds te gaan spinnen. Hiervandaan komt de uitdrukking Sint Lambeert dae bringtj de spinderik in den aerd – Sint Lambertus brengt de spindel weer te voorschijn zie ook spool
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
spinnen , spinne , werkwoord , spinnen, zich -, klemmen
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
spinnen , spinne , sterk werkwoord , spinne - spon - gesponne , spinnen; WBD (v.e. merrie) 'spinne' of (Hasselt) 'afslaon' - afscheiding geven uit de schede, teken van hengstigheid; WBD spinne (II:934) - spinnen; WBD III.2.1:501 spinne, spinse, snòrre, knòrre, kòrre = spinnen v. d. kat; Antw. SPINNEN zie wdbb. ook gezegd v. bedorven brood, dat draadjes vormt; ook van bier, dat dik en olieachtig is.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal