elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: sporen

sporen , sporen , (zwak werkwoord, intransitief) , Bij molenmakers. In het spoor zijn, op het juiste punt uitkomen; van een molenroede die ingestoken wordt. Men maakt een krijtschrap op de stelling in het verlengde van de ingestoken roede, laat dan de roede draaien en ziet of het andere einde juist in dezelfde richting wijst. Als dat zo is, dan spoort de roed. || Spoort-i nou of niet?
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
sporen , spüüren , zwak werkwoord , sporen. Dei waage spüürt neit: de wielen passen niet in het wagenspoor. Eimaond spüüren: iemand missen.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
sporen , spore , werkwoord , Ook: met de trein rijden. | Hai moet alle dage ’n uur spore. Zegswijze niet goed spore. 1. niet goed bij zijn verstand zijn. 2. niet op dreef zijn, niet gedijen. – Die spoort voor gien meter, die is stapelgek.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
sporen , spoaren , spoaren, espoard , de sporen geven.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
sporen , speuren , sporen , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Veenkoloniën). Ook sporen (Noord-Drenthe, Zuidoost-Drenthe alleen in bet. 3.) = 1. zoekend speuren Zie speurt in het archief naor heur veurgeslacht (Gas) 2. het spoor volgen Ze kunden de inbreker speuren tot aan de grote weg (Noo), As der snei lig, gaot de manlu knienen sporen (Rol) 3. sporen De fiets trapt zo zwaor. Dat komp dat e niet meer speurt (Wsv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
sporen , spoern , spuurn , 1. sporen. Die waagn spoert niet, de raen zittn ’n bettien te wied van mekaere of. 2. het spoor volgen. Iej konn ’m goed spoern met die grote klompe; Wie konn ’m net spuurn waor hie hen egaon was.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
sporen , sporen , werkwoord , 1. (van wielen aan een auto, wagen enz.) precies achter elkaar gaan, één recht spoor maken 2. een spoor volgen, opsporen door een spoor te volgen 3. een karrenspoor maken, bijv. De waegen spoort d’r diepe deur
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
sporen , sjpëure , werkwoord , sjpëurde, gesjpëurd , sporen , VB: De fits sjpëurt neet mie. VB: De maan ês zoe zäot, 'r sjpëurt neet mie.; spoor (een spoor volgen) sjpëure (zie 'speuren')
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
sporen , spuëre , werkwoord , spuërtj, spuërdje, gespuërdj , sporen
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
sporen , späöre , späörde – gespäörd , sporen
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal