elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: spruit

spruit , sprûte , (vrouwelijk) , sprûten , spruit, sproet.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
spruit , spruute , lange spruute, middenbalk, van molen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
spruit , spruut , spruit , zelfstandig naamwoord ’t , Kweekgras.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
spruit , sjproet , vrouwelijk , sjproete , sjpruutje , spruit.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
spruit , sjpruits , vrouwelijk , sjpruitse , spuit.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
spruit , sprutjes , meervoud , spruitkool.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
spruit , sprut , de , (mol. Zuidoost-Drents zandgebied) = uitstekende balken uit de kap van de molen, waarmee de wieken naar de windrichting gedraaid worden (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
spruit , spruut , spruit , de , spruten , Ook spruit = 1. spruit Der komt jonge spruten onder an de boom oet (Bco) 2. kind Is det oen jongste spruut of hej nog kleinder? (Ruw) 3. spruitje Wai kriegen spruten vanmiddag (Row), Hol je van spruuties? (Bal)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
spruit , sprute , 1. spruit; 2. klein kind
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
spruit , spruten , zelfstandig naamwoord , uitlopers van bijv. aardappelen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
spruit , spruute , spruit.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
spruit , spruut , spruit, sprute , zelfstandig naamwoord , de 1. kind (in relatie tot één van de ouders), bijv. de jongste spruut 2. spruit, uitspruitsel 3. in een maegere sprute een mager scharminkel 4. spruitje
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
spruit , sprot , zelfstandig naamwoord , uitschot van fruit
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
spruit , sjpruet , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , sjpruete , sjpruetsje , gieter , VB: Völ de sjpruet 'ns en daan giefs te de blomme get wäoter.; vrouw (vrouw die zich gek gedraagt) 'n gekke sjpruet; sjpruútjes, sjproéte spruitjes (vrouw die zich gek gedraagt) 'n gekke sjpruet.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
spruit , sprötje , spruitje.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
spruit , sprute , (zelfstandig naamwoord) , 1. spruit (groente); 2. klein kind.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
spruit , [groente] , sproet , (sproe~t), (sproe~te) , (vrouwelijk) , sproete , spruutje , spruit , De meiste kinjer haoje neet van spruutjes.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
spruit , sprt , sproet , zelfstandig naamwoord , sproete , spruutje , spruitje; spruutje zie sprt
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
spruit , spruûtjes , (meervoud) spruitjes
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
spruit , sprèùt , zelfstandig naamwoord , sprötje , spruit - brassica oleracea; uitwas v.e. aardappel, 'èèrpelscheut', 'vrat', 'ötschieter'; A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1962 - zelfstandig naamwoord vr. (gew. mv.: sprötə) - spruit, spruitkool; sprötje - verkleinwoord; spruitje; verkleinwoord van 'sprèùt', met vocaalkrimping
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal