elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: spurriekoe

spurriekoe , spurriekoej , zieke koe , Héij kwam meej nen oovervólle kreuge ôngekróóje mér’rie hiigde lék 'n spurriekoej. Hij kwam met een overvolle kruiwagen aangereden maar hij hijgde als een zieke koe.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
spurriekoe , [koe ] , spörgskoe , (vrouwelijk) , een koe die teveel spörrie (een soort gras) gegeten had , Hae is zoea stief wie ein spörgskoe: iemand die zoveel gegeten heeft dat er niets meer bij kan.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
spurriekoe , spörgkoe , zelfstandig naamwoord , spörgkuuj , 1. een koe die te veel klaver heeft gegeten en daardoor 'oploopt' als gevolg van gasvorming (trommelzucht), of die last heeft van diarree als gevolg van het eten van mals gras zie ook nering (2); zuchte wie ein spörgkoe – hevig zuchten; sjiete wie ein spörgkoe – last hebben van diarree 2. zeur(piet) ook grieniezer, kuumvot, niesoeër, zeikhoeës, zeikstreen, zeikvioeël, zemel, zemelezeikerd
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
spurriekoe , spörriekow , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , koe in ademnood
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
spurriekoe , spurriekoej , zelfstandig naamwoord , Pierre van Beek - koe die te veel spurrie gegeten heeft, waardoor ze een te dikke buik krijgt en wellicht 'dèmpeg' wordt. Men zegt b.v. 'Hij hèègt as en spurriekoej'. Pierre van Beek - hij heej nen bèùk as en spurriekoej (Tilburgse Taalplastiek 131) - dikke buik; Cees Robben – Ge het vort unne buik as ’n spurriekoei.. vetmôôk... Ge meugt gerust ’n voeierke minder afsteken... (19650611); WBD niet vermeld; C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) – spurriekoei v. - koe die te veel spurrie gegeten heeft en daardoor een dikke buik krijgt: 'nen bö:k ès 'n spurriekoei; Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - SPÖRRIEKOEI zelfstandig naamwoord  v. - koe die op de spurrie weidt.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal