elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: statie

statie , [onderpand] , statie , Iets in statie zetten is: iets tot onderpand geven.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
statie , sjtaase , vrouwelijk , sjtaases , station. Eeme aan de sjtaasen aafhaole: iemand van de trein halen.; sjtaase statie, kruisweg. Zich de sjtaases baeë: de kruisweg bidden
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
statie , stasie , station.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
statie , staosie , zelfstandig naamwoord , de; kruiswegstatie
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
statie , sjtäosie , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , sjtäosies , sjtësieke , statie , (van kruisweg) sjtäosie VB: De sjtäosies ién de kërk van Groéselt zién ién Tirol gemak. Ze zién gegoüwe ién 1923.; deur (een deur verder) 'n sjtäosie wyjer VB: Nèi, vuur hebbe niks nudig, gaot mer 'n sjtäosie wyjer.; station VB: De sjtäosie lik 'nne killemeter van 't duerp aof Zw: Gaank mer 'n sjtäosie wyjer: ga maar een deur verder (ook figuurlijk)
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
statie , staosie , station.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
statie , staasie , zelfstandig naamwoord , station (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
statie , staasje , zie stasie
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
statie , stasie , zelfstandig naamwoord , stasies , 1. station 2. onderdeel van de kruisweg, plaats waar men tijdens het bidden van de kruisweg even stilstaat voor elk van de 14 taferelen uit het lijden van Christus ook staasje; staasje zie stasie
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
statie , stasie , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , stasies , kruiswegstatie, station
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
statie , staosie , stòssie , zelfstandig naamwoord , statie, station; Zô as de Thijs die òn de staosie/ in de fietsestalling zit. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Houdoe Thijs); Henk van Rijen - die heej veul vòlk òn de staosie - die (zij) heeft een flinke voorgevel; WNT STATIE - 1) verblijfplaats, 2) standplaats van kooplieden, stalletje, winkel, 7) station (aan een spoorweg) in Vlaamsch België; stòssie; statie; met name een statie in de kruisweg; De vurrige week waren 't de duivenmelkers, die íédere Zondag bij de aachtste stossie ston te hangen en hil de vloer vol bruine klodders spiersen; (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit ‘t klokhuis van Brabant 5; 7 en 14-11-1929)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal