elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: sterfte

sterfte , sjtėrfde , vrouwelijk , sterfte.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
sterfte , starfte , de , sterfte, sterfgevallen Die meinsen hebt nog al ies starfte in de femilie (Ruw), ...onder het vee (Dwi), Wij hebt dit jaor veul starfte under de biggen (Pdh)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
sterfte , starfte , zelfstandig naamwoord , de 1. het sterven 2. sterfte, het totaal aan sterfgevallen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
sterfte , sjterfde , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , - , - , sterfte , VB: De sjterfde oonder 't vie wäor ién vreuger iewe soms versjrikkelik.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
sterfte , sterfdje , sterfte
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
sterfte , stèèrft , zelfstandig naamwoord , sterfte; A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1962 - stärəft (naast stärəftə), zelfstandig naamwoord vr. 'sterft' - sterfte
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal